Het Krijt duurde van 142 tot 65 miljoen jaar geleden, een periode van bijna 80 miljoen jaar. De Krijt-periode ontleent zijn naam aan de vorming van krijt in deze periode. Krijt is helder witte, zeer zuivere kalksteen (kalksteen bestaat uit calcium-carbonaat; calcium = kalk). In het Krijt dreven de delen van het supercontinent Pangea steeds verder uit elkaar en begon de wereld geleidelijk zijn vertrouwde vorm te krijgen. Ongeveer 130 miljoen jaar geleden begon de Noord-Atlantische Oceaan zich te openen. De nieuw gevormde Atlantische Oceaan scheidde EuraziŽ en Afrika van Noord- en Zuid-Amerika. Alleen in het noorden bleven beide continenten vermoedelijk nog 25 miljoen jaar met elkaar verbonden.
De Tethyszee breidde zich uit naar het westen en vormde een tropische mariene corridor die Noord-Amerika en EuraziŽ in het noorden scheidde van Gondwana in het zuiden, waardoor de uitwisseling van planten en dieren onmogelijk werd. Ongeveer 120 miljoen jaar geleden kwamen de continenten Afrika, India, Antarctica en AustraliŽ door de vorming van nieuwe oceanen ook steeds verder uit elkaar te liggen. AziŽ had nog steeds een vreemde vorm, omdat stukken land die nu onderdeel zijn van de zuidelijke rand, zoals Indo-China en India, nog afzonderlijke eilanden waren. Langs de westrand van Noord- en Zuid-Amerika ontstond een grote vulkanische bergketen die zich uitstrekte van Chili tot Alaska. De bergketen vormt nu de oostflank van de Pacifische Ring van Vuur. In het Krijt vormden deze bergen een vruchtbare voedingsbodem terrestrische levensvormen. Het kooldioxidegehalte van de aardse atmosfeer was hoog waardoor er als gevolg van een broeikaseffect een warm, droog klimaat heerste. De zeespiegel die na een hoogtepunt in het Laat-Jura een daling had ingezet,steeg snel doordat de ijskappen de polen afsmolten door de hogere temperaturen. Grote delen van de continenten werden overspoeld door ondiepe zeeŽn, vooral Noord-Amerika, zuidelijk Europa en Antarctica. Deze zeeŽn wemelden van het mariene leven. Er waren riffen die grote vispopulaties herbergden waarop gejaagd werd door grote mariene reptielen en haaien.

De vegetatie veranderde geleidelijk. De vroeg-MesozoÔsche varens namen af en werden vervangen door moderne vormen. Ook met de zaadvarens, varenpalmen en oudere groepen naaldbomen ging het bergafwaarts. Hun plaats werd ingenomen door ceders en mammoetbomen. Een belangrijke gebeurtenis was het verschijnen van de angiospermen, de bloemplanten, die de moderne landschappen domineren en kleur geven. Er vlogen talrijke vliegende reptielen, vogels en een groeiend aantal insecten, die profiteerden van de ontwikkeling van bloemen en stuifmeel. De heerschappij van de dinosauriŽrs op het land hield aan, maar er ontwikkelden zich ook steeds meer soorten kleine zoogdieren. DinosauriŽrs, zoals Iguanodon en de hypsilophodonten (een groep snelle, bipede planteneters), slaagden erin in het Vroeg-Krijt vanuit Europa Noord-Amerika te bereiken. Maar toen de verbinding tussen deze continenten in het midden-Krijt verbroken werd, divergeerden de ontwikkeling van deze dinosauriŽrgroepen. In Noord-Amerika werd de kolossale hypsilophodont Tenontosaurus de dominante soort, te midden van de ornithopoden. In Europa maakte de iguanodonten, een groep ornithopoden, een bloeitijd door. De tetrapodenfauna's van het noordelijk en zuidelijk halfrond begonnen ook grote verschillen te vertonen. In het noorden nam het aantal soorten sauropoden - reusachtige plantenetende dinosauriŽrs - en stegosauriŽrs af. Daarentegen nam het aantal soorten en individuen van de gepantserde ankylosauriŽrs en iguanodonten toe. Bovendien verschenen de eerste ceratopside dinosauriŽrs, zoals Psittacosaurus. Recente fossiele vondsten hebben aangetoonde dat het Krijt een periode van opmerkelijke biologische vernieuwingen was. De reptielen bleven de dominante dieren. Fossielen uit China, MongoliŽ en Spanje wijzen uit dat er in het Vroeg-Krijt verschillende groepen getande vogels evolueerden. Ook het aantal vormen van de primitieve zoogdieren nam toe. De meeste vogels en veel zoogdieren stierven aan het einde van het Krijt, samen met de dinosauriŽrs uit. Maar er bleven genoeg soorten in leven om een goede basis te hebben voor de evolutie van het moderne terrestrische leven.

Ongeveer 100 miljoen jaar geleden, in het Midden-Krijt, werd de beweging van de aardkorst voortgestuwd door de vorming van nieuwe oceanen op het zuidelijk halfrond, zoals de Zuidelijke Oceaan en de zuidelijke Atlantische Oceaan. Dit was het gevolg van veranderende patronen in de convectiestromen in de mantel van de Aarde. Rond 90 miljoen jaar geleden zag de verdeling van de continenten er meer vertrouwd uit. De Atlantische Oceaan scheidde de Nieuwe Wereld, bestaande uit Noord- en Zuid-Amerika, van de Oude Wereld, bestaande uit Europa, AziŽ en Afrika. AziŽ was op India na bijna compleet. AustraliŽ lag nog in het diepe zuiden en zat nog vast aan Antarctica, en India was nog verbonden met Madagaskar.
Gondwana viel steeds verder uiteen. Madagaskar splitste zich uiteindelijk af van India dat zich naar het noorden verplaatste. Nieuw-Zeeland kwam los van AustraliŽ doordat de Tasmanzee zich opende. In het Verre Oosten zorgde de botsing van landmassa's, zoals Tibet en Zuidoost-AziŽ, voor de vorming van nieuwe bergketens en de completering van de oostelijke rand van EuraziŽ. In Europa leidde de noordwaartse uitbreiding van de Atlantische Oceaan tot het ontstaan van de Golf van Biscaje en de opsplitsing van Groot-BrittaniŽ, Labrador en Newfoundland, gevolgd door de opsplitsing van Noorwegen en Groenland. Geologische gegevens duiden op een ongewoon hoge vulkanische activiteit in het Midden-Krijt, vooral langs de mid-oceanische ruggen. Rugstelsels rijzen hoog op en nemen de omringende oceaanbodem met zich mee. Als gevolg hiervan steeg de zeespiegel tot 200 meter boven het huidige niveau. Aan het eind van het Krijt daalde de zeespiegel weer. De temperatuur van het oceaanwater steeg snel, daalde vervolgens en steeg toen weer wat, om aan het eind van de periode opnieuw te dalen. Deze veranderingen resulteerden in veranderingen in de stromingspatronen doordat er zich nieuwe zeeŽn openden. Perioden van snelle opwarming (en zuurstofschaarste) hebben vermoedelijk geleid tot het uitsterven mariene levensvormen. De enorme onderzeese vulkanische activiteit bracht in het Midden-Krijt grote hoeveelheden kooldioxide in de atmosfeer en in de zeeŽn. Dit leidde tot een opwarming door een broeikaseffect. Het Midden-Krijt was vermoedelijk de warmste periode in de geschiedenis van de Aarde. Op het hoogtepunt van de opwarming konden de gematigde bossen meer dan 2000 kilometer naar het noorden en zuiden opschuiven. De dinosauriŽrs heersten nog steeds over het land en bleven maar nieuwe vormen ontwikkelen. Tot de theropoden van het Midden- en Laat-Krijt behoorden de grote tyrannosauriden, zoals Tyrannosaurus rex, kleine roofdieren, zoals Deinonychus en Velociraptor, en de op struisvogels lijkende ornithomimosauriŽrs. Verder waren er de eendsnavel-dinosauriŽrs of hadrosauriŽrs, zoals Maiasaura en de ankylosauriŽrs en ceratopsiden, zoals Triceratops. De vormenrijkdom van de organismen die onze moderne terrestrische ecosystemen domineerden, de bloemplanten, vogels en zoogdieren, maakten in de broeikas van het Midden-Krijt een explosieve groei door. De zoogdieren varieerden van muisgroot tot katgroot en waren meestal 's nachts actief. De oudste angiospermen (bloemplanten) waren vermoedelijk struikvormige kruiden. Met de tijd nam hun aantal en hun vormenrijkdom toe en vestigden ze zich als kleine bomen op open plekken in de naaldbossen. Tot de flora van het Laat-Krijt behoorden vijgen, wilgen, populieren, magnolia's en platanen. Ook het aantal insectensoorten nam snel toe. De toppredators in het water waren imposante met peddels uitgeruste hagedissen, zogeheten mosasauriŽrs. In de zeeŽn zwierven plesiosauriŽrs en de reuzenschildpad Archelon en ook verschenen de eerste beenvissen (teleosten). Ammonieten, tweekleppigen en gastropoden waren wijdverbreid. Mariene micro-organismen floreerden en door accumulatie van hun resten in de sedimenten op de zeebodem werd de basis gelegd voor grote olievoorraden.

De overgang van het einde van het Krijt, 65 miljoen jaar geleden, naar het begin van het Tertiair wordt vaak aangeduid als de K-T-grens. Deze overgang wordt gekenmerkt door een catastrofale meteorietinslag bij Chicxulub in Mexico, die naar algemeen wordt aangenomen bijgedragen heeft aan het uitsterven van sommige groepen planten en dieren. Het tegelijkertijd uitstromen van grote hoeveelheden lava over het westen van India, een afkoeling van het klimaat en een behoorlijke daling van de zeespiegel, waardoor grote delen van de continentale platen droogvielen, hebben vermoedelijk ook een belangrijke rol gespeeld in het uitsterven van zowel in zee als op het land levende diersoorten.
Er zijn geen dinosauriŽrfossielen gevonden in gesteenten die jonger zijn dan 65 miljoen jaar. Samen met hun verre verwanten, de mariene plesiosauriŽrs, de mosasauriŽrs en de vliegende pterosauriŽrs, waren de dinosauriŽrs aan het einde van het Krijt uitgestorven, net als de talrijkste fossiele groep van het MesozoÔcum, de ammonieten. Daarentegen nam het aantal zoogdieren en vogels in het Tertiair toe. Deze opvallende wisseling van de wacht werd door wetenschappers zo'n 100 jaar geleden ontdekt. De oorzaak van de K-T-grensextinctie was vele jaren een mysterie. In de jaren zeventig van de vorige eeuw ontdekte de Amerikaanse geoloog, Walter Alvarez, in een dun laagje klei dat de exacte grens tussen afzettingen uit het Krijt en het Tertiair markeert opvallend veel iridium. Deze laag is terug te vinden in grote delen van Europa en Noord-Amerika. Iridium behoort tot de platinagroep en komt veel voor in meteorieten en meteorietenstof. Alvarez veronderstelde dat veel veranderingen die optreden op de K-T-grens veroorzaakt werden door de inslag van een meteoriet - een asteroÔde of een komeet. Sommige wetenschappers hebben erop gewezen dat een dergelijke inslag rampzalige gevolgen moet hebben gehad voor het aardse klimaat. Grote hoeveelheden stof en inslagdeeltjes werden de atmosfeer ingeslingerd waardoor de zon jarenlang zou worden afgeschermd met een massaal uitsterven van soorten als gevolg. Een begraven krater bij Chicxulub in Yucatan, Mexico, die vele kilometers de Golf van Mexico in loopt werd uiteindelijk aangemerkt als de plek waar de meteoriet was ingeslagen. Ondanks het samenvallen van de meteorietinslag met de K-T-grens, hoeft dat niet de enige reden voor de extincties te zijn geweest. Planten zijn bij de K-T-grens niet massaal uitgestorven, de dinosauriŽrs namen geleidelijk af en veel gevoelige soorten, zoals amfibieŽn en schildpadden, leden slechts kleine verliezen. Er traden ook op uitgebreide schaal vulkaanuitbarstingen op. Deze gingen gepaard met de uitstoot van grote hoeveelheden kooldioxide. Dit leidde tot een opwarming die het uitsterven van planten en dieren, vooral op het land tot gevolg kan hebben gehad. De vulkanische activiteit kan ook tot een eerste golf uitstervingen hebben geleid, waarna de meteorietinslag uiteindelijk de laatste klap toebracht. De K-T-grens-sedimenten bij de rivier de Brazos bevatten een ongewoon harde zandige laag die exact op de grens ligt en zich duidelijk onderscheidt van de zachtere lagen erboven en eronder. Sommigen denken dat de zandlaag werd afgezet door een tsunami, een vloedgolf die werd veroorzaakt door de inslag bij Chicxulub.


Groot-BrittaniŽ tijdens het Krijt
In BrittaniŽ bestaan de Wolds in Lancashire en Yorkshire en de Chiltern-heuvels en de Downs in Zuid-Engeland, uit krijt. Langs de kust komt het aan de oppervlakte als de beroemde krijtrotsen. Op plaatsen waar het afgegraven wordt, verschijnen witte plekken in de groene heuvels. Krijt werd gevormd in de heldere, warme zee die in de late Krijt-periode een groot deel van BrittaniŽ overspoelde. In de vroege Krijt-periode waren de omstandigheden heel anders. Aan het begin van de Krijt-periode, 130 miljoen jaar geleden, was het grootste deel van BrittaniŽ land. De omgeving van Londen vormde een rug, die naar het oosten doorliep tot in BelgiŽ en naar het westen tot in de Midlands. Ten zuiden van deze rug lag een ondiepe kom met zoetwater. Dit grote zoetwatermeer, de Wealden, lag in het gebied van Zuid-Engeland en Noord-Frankrijk. Rond dat meer lagen ruggen van kalksteen, gevormd in het Carboon. De modder- en kleilagen die in het Wealdenmeer werden afgezet, staan bekend als de Wealdenformatie. Die lagen bevatten fossielen van coniferen, varens, boomvarens, ginkgo's en primitieve bloemplanten en ook van diersoorten uit die tijd. Scheuren en kuilen in het gesteente tonen aan dat bepaalde delen van het ondiepe water van tijd tot tijd uitdroogden. Meer naar het noorden, in Lincolnshire en Yorkshire, was een nieuwe zee vanuit het oosten het land binnen gedrongen. De sedimenten van deze twee gebieden, hoewel uit dezelfde tijd, verschillen zeer veel van elkaar. Naar het zuiden toe komen afwisselend zand en leisteen voor (de Wealden-bodem), daar afgezet als een delta door rivieren die de waterafvoer verzorgden van de Londense rug en de landmassa's van West-Engeland en Wales. Een deel van het bezinksel, vooral de klei, werd afgezet in dieper water, waarschijnlijk nadat de bodem van de delta plotseling was gedaald. Er kwamen echter ook tijden voor met zoveel afzetting, dat de delta boven het water uitkwam. In platte stukken zandsteen zijn indrukken van regenplassen, voetsporen van reptielen en 'ribbels' die zijn ontstaan door het ondiepe water en door de zon veroorzaakte barsten in de bodem, bewaard gebleven. Er vormden zich zelfs moerassen, want er komen fossielen voor met planten die verwant waren aan de tegenwoordige paardenstaarten. Terwijl reuzenreptielen zoals de Iguanodon zich ophielden op de zandvlakten en in het moeraswater van de Wealden-delta, hoopte zich in de zee boven Yorkshire blauwe zeeklei (Speeton-klei) met daarin fossiele ammonieten op. Daarna moet de oceaan sterk zijn opgedrongen. De Wealden-delta en een groot deel van Hampshire en Dorset werden overstroomd door zout water, toen de zee tot aan de Londense heuvelrug vanuit het zuiden landinwaarts kwam. Ook in het noorden drong de zee het land binnen en ten slotte verenigden de twee zeeŽn zich via een nauwe doorgang ten westen van de heuvelrug. In Zuid-Engeland was het in het ondiepe water afgezette bezinksel, zandsteen van een groenachtige kleur (veroorzaakt door sporen van het groen mineraal glauconiet). In het algemeen zijn de sedimenten echter zo verschillend in soort, kleur en dikte, dat er moeilijk ťťn naam voor te geven is. Ten noorden van de heuvelrug bestaan de rotsen die even oud zijn als het 'groen zand' uit Wealden, uit geel zand, waarvan de laag vooral in Norfolk en Bedfordshire dik is. De zee drong steeds verder op en bedekte waarschijnlijk de gehele Londense rug, zich verder verspreidend naar het westen toe tot in Dartmoor en misschien zelfs in Wales. In het midden van de zee vormde zich de kleverige, blauwe Gault-klei. Deze bestond uit zeer fijne kleideeltjes en is rijk aan fossielen. Dichter bij de kust hoopten zich ruwere brokken rots op, aangevoerd vanaf het land door de rivieren, in het ondiepe water. Dit bezinksel wordt het 'late groen zand' genoemd. Deze naam is wel juist, want het bezinksel is voornamelijk zand, groengekleurd door glauconiet. In Norfolk, Lincolnshire en Yorkshire - gebieden ver van het land - werden enkele tientallen centimeters van de zogenaamde 'rode kalk' afgezet. Dit is steenrode, gruisachtige kalksteen, zeer rijk aan fossielen. In BrittaniŽ kwam het in het Laat-Krijt tot een binnendringing van de zee, in het westen tot zelfs in Ierland en in het noorden tot in Schotland. Waarschijnlijk bleven de hoogste toppen van het tegenwoordige Wales, Schotland en het Lake District boven het wateroppervlak uitsteken. In het gehele gebied werd ongetwijfeld krijt gevormd, dat echter thans als gevolg van verwering grotendeels is verwijderd. Het vroegste krijtbezinksel is grijsachtig van kleur en bevat tot 50 % slib en andere onzuiverheden. Langzaamaan werd de zee helderder en het krijt werd geleidelijk witter en zuiverder. De landmassa's om de zee moeten vrijwel vlak zijn geweest en weinig sediment hebben opgeleverd. In Noordoost-Ierland en West-Schotland is echter ruwe zandsteen uit de late Krijt-periode aangetroffen op plaatsen die toen dicht bij de kustlijn lagen. De rivieren stroomden in die tijd waarschijnlijk kalm naar zee, want er was aanvoer van een grote hoeveelheid calciumcarbonaat nodig om een dikke laag krijt te vormen. In de bovenste krijtlagen komen dunnen laagjes vuursteen (SiO2) voor. Deze zijn waarschijnlijk ontstaan uit de kiezelaarde van de skeletten van sponzen uit de Krijt-periode, later opgelost in het erdoorheen stromende water. Deze kiezelaarde nam dan weer de vaste vorm aan om fossielen heen of vormde eenvoudig onregelmatige brokken (nodulen).

Noord-Amerika tijdens het Krijt
Net als in Engeland kwam in de Krijt-periode in Noord-Amerika de laatste grote overstroming door de zee voor. Hoewel aan de Atlantische kust en ook aan de andere kust de zee binnendrong, vond de grote overstroming plaats bij de geosynclinale van de Rocky Mountains in het begin van de Krijt-periode. Al drong de zee er zowel in het noorden als in het zuiden binnen. Deze twee inhammen ontmoetten elkaar en het water begon zich - aan de westzijde tegengehouden door het hoogland - in oostelijke richting te verspreiden, totdat in de late Krijt-periode Noord-Amerika voor de helft onder water stond. Dit was de Niobrarazee; een strook water van ongeveer 1500 kilometer breed deelde het vasteland middendoor in twee afzonderlijke delen: breed en laagliggend in het oosten en smal, met bergruggen in het westen. Ten westen van de geosynclinale van de Rocky Mountains werden de bergen die in de voorafgaande periode werden gevormd, steeds breder en hoger. De rivieren gingen sneller stromen en brachten grote hoeveelheden puin naar de 'put' die ernaast lag. Overal was de plantengroei aan het veranderen. De enorme bossen van coniferen varens werden vervangen door 'modern' uitziende bossen van eiken en wilgen. De onderbegroeiing werd gevormd door bloemplanten. In warmere streken groeiden palmen. In het gebied waar nu Wyoming ligt, was zo'n bos. Het einde van het MesozoÔcum werd gekenmerkt door toenemend onrust in de aardkorst, die uitmondde in de Laramide Orogenie (het ontstaan van bergen wordt orogenese - ook wel tektogenese - genoemd). De enorme hoeveelheden rots die zich hadden opgehoopt in de grote geosynclinale van de Rocky Mountains, werden geplooid en gevouwen door ontzettend grote krachten. Uit de 'put' die zich in de loop der tijden had gevormd, werd - vergezeld van heftige vulkanische activiteit - het systeem van de Rocky Mountains geboren: een grote bergketen met een maximale breedte van 750 kilometer, in de gehele lengte door Noord-Amerika lopend. Hoewel de Rocky Mountains aan verwering blootstonden, en in het volgende tijdperk verder rezen, was het dťze bergvorming die de basisstructuur van de Rocky Mountains deed ontstaan. Hoe groot de hoeveelheid materiaal is geweest die in deze periode in de geosynclinale terechtkwam, blijkt wel uit het feit dat de formaties uit de Krijt-periode in Wyoming een dikte van 6000 meter bereiken.


1Basford; pag. 101-106
2Dixon; pag. 28-31
7Palmer; pag. 34-39, 108-109, 114-115, 122-123