Ontdekking en voorgeschiedenis
In 1900 werden delen van het skelet van een van deze indrukwekkende dinosauriŽrs gevonden in Colorado. Blijkbaar leefden dezelfde soorten dieren in een gelijk milieu in verschillende delen van de wereld. In de Boven-Juratijd waren de continenten blijkbaar nog verenigd tot ťťn zware landmassa en dus konden de dieren zwerven waarheen ze wilden. Want in 1907 werden in gesteenten uit het Laat-Jura in Tendaguru in wat toen het Duitse Oost-Afrika was en wat nu Tanzania heet, enorme dinosauriŽrresten gevonden. Ze werden tussen 1908 en 1912 opgegraven door lokale arbeiders onder supervisie van Edwin Hennig en Werner Janesch van het Museum van Natuurlijke Historie in Berlijn. Het transport van de vondsten vanuit een deel van Afrika zonder wegen naar Berlijn was een logistieke nachtmerrie. Alle beenderen die gezamenlijk zoín 250 ton wogen, werden gedragen op de hoofden van dragers of aan palen. Op deze manier werden ze naar de op 65 km afstand gelegen haven Lindi vervoerd, vanwaar ze verscheept werden naar Berlijn. De menselijke en financiŽle inspanningen waren niet voor niets. De expeditie was zeer succesvol. Er was een compleet nieuwe dinosauriŽrfauna blootgelegd. Hiertoe behoorde ook de gigantische sauropode Brachiosaurus. Deze is het pronkstuk van het Berlijnse museum. Het is het grootste dinosauriŽrskelet ter wereld, waar het model van Andrew Carnegieís Diplodocus dat er naast staat, bij in het niet valt.

Omschrijving
Brachiosaurus was gemiddeld 23 m lang en 12,6 m hoog. De schouderhoogte was 6,4 m en het opperarmbeen was alleen 2,1 m lang, het dier woog vermoedelijk zoín 20 tot 30 ton. Het kolossale lichaam van Brachiosaurus werd ondersteund door een ruggengraat met een bijzondere bouw. Elke wervel was aan de zijkanten zodanig uitgehold dat er slechts een constructie van dunne beenlagen en beenstutten overbleef. Het resultaat was een aanzienlijke gewichtsvermindering. In de holten bevond zich een uitgebreid luchtzaksysteem, dat met de luchtwegen in verbinding stond en als koelsysteem fungeerde. De uit deze zeer flexibele wervels opgebouwde, lichte ruggengraat had een optimale sterkte. Brachiosaurus had een hoge, koepelvormige kop met een brede, platte snuit. Naar normale maatstaven was dit een forse schedel, maar niet voor een dier van die afmetingen. Ook de hersenholte was erg klein in vergelijking tot de rest van het lichaam. De kaken waren redelijk sterk en de tanden waren min of meer lepelvormig en hadden scherpe snijranden voor het afbijten van bladeren en twijgen. Net zoals bij oudere vormen diende de kop alleen om de maag van voedsel te voorzien. In de grote, met stenen gevulde spiermaag werd het voedsel vermalen tot het doorgegeven kon worden aan de darm. Hier werden de gemakkelijk te onttrekken nutriŽnten eruit gehaald, waarna alleen onverteerbaar cellulose (plantencelwandstof) en ander plantaardig materiaal overbleven. Dit werd in een reeks darmzakken geleid die verbonden waren met de darm. In deze caeca (blinde darmen) huisden de bacteriŽn die cellulose afbreken. Het voedsel bleef in deze caeca totdat vrijwel alle nutriŽnten eruitgehaald waren. De rest werd uitgescheiden als keutels. Dit efficiŽnte systeem zorgde ervoor dat de reusachtige dieren zo veel mogelijk voedingsstoffen uit hun weinig voedzame voedsel konden halen. Gezien de positie van deze neusopeningen dacht paleontologen de Brachiosaurus en verwanten een groot deel van de tijd onder water doorbrachten. Men echter tot de conclusie gekomen dat deze dieren vanwege hun omvang op een dusdanige diepte moesten hebben geleefd dat ademen onmogelijk was. De vlezige neusgaten van een dier hoeven niet noodzakelijk vlakbij de uitwendige neusgaten te hebben gezeten. Moderne olifanten hebben op hun kop bijvoorbeeld even grote externe neusopeningen, maar ademen door de vlezige neusgaten aan het uiteinde van hun slurf. Sommige paleontologen hebben zich hierom de vraag gesteld of sauropoden misschien slurven hadden. Een andere verklaring voor de grote neusgaten is dat ze een rol speelden bij de warmteregulatie. Rond de openingen kwam mogelijk vochtig rijk doorbloed weefsel voor dat hielp bij het koelen van de hersens tijdens warm weer. De hals van dit reptiel was extreem lang. Toch was het aantal nekwervels niet groter dan bij andere sauropoden. De wervels waren echter sterk verlengd. Sommige waren driemaal zo lang als rugwervels. Kenmerkend voor de sauropoden was dat de voorpoten langer waren dan de achterpoten. Hierdoor liep het lichaam vanaf de schouder naar beneden af en had de lange hals een nog groter bereik. Bij Brachiosaurus fungeren de poten als zuilen waarop het enorme lichaamsgewicht rust. Tijdens het lopen waarin het hele gewicht op de poten rust, zijn ze vrijwel gestrekt omdat de beenderen van de poten anders domweg breken. Om dezelfde reden houden ook olifanten tijdens het lopen hun poten gestrekt. Dergelijke dieren noemt men graviportaal ('zwaardragend'). De voeten van Brachiosaurus zijn breed en afgerond, zodat het lichaamsgewicht over een groot oppervlak wordt verdeeld. De enkel raakt de grond niet, het zijn teengangers (lopen op hun tenen), wat eveneens een kenmerk van alle dinosauriŽrs is. Als bij graviportale dieren de hoge enkel aan de onderzijde wordt gesteund door een soort hielkussen, hoeven de voeten niet te worden gebogen en gestrekt terwijl het dier loopt. Dit bespaart veel spierenergie die anders verloren zou gaan. Omdat hij als herbivoor een fors spijsverteringsstelsel moet hebben gehad, moet Brachiosaurus wel een viervoeter zijn geweest, waardoor het gewicht van het dier gelijkmatiger verdeeld werd over de voor- en achterpoten. De rug van Brachiosaurus is gebogen en wordt door ligamenten onder spanning gehouden. Dit is de meest efficiŽnte manier om de zware buikstreek te ondersteunen. Bij de voortbeweging speelt de staart geen rol. Niettemin is het onwaarschijnlijk dat zo'n lange staart behouden blijft als het dier er niets aan heeft. Blijkens voetafdrukken van deze dieren sleepte de staart niet over de grond. Waarschijnlijk had hij minstens drie belangrijke functies. Ten eerste fungeerde de staart als verankering voor de grote retractorspieren, spieren die de poten naar achteren trekken. Ten tweede fungeerde hij eveneens als tegenwicht voor de extreem lange nek. De nek en staart staan met elkaar in verbinding via lange pezen die over de wervelkolom lopen. Misschien speelde de staart ook een rol bij de temperatuurregulering van het dier. Brachiosaurus heeft een gigantische hals, gezien de onderlinge concurrentie tussen de diersoorten om het voedsel dat op de grond groeide, was dat een voordeel. Niettemin zijn de halswervels van Brachiosaurus heel elegant gebouwd. Dit blijkt als men ze zorgvuldig bekijkt. De wervels hebben tal van ribbels: de zijkant van elk uitsteeksel is bedekt met een netwerk van groeven en bestaat inwendig uit een honingraat; de zijkant van de wervels bevat grote holten; en de ribben die aan de zijkanten zijn bevestigd, blijken niet alleen lang en dun te zijn, maar tevens hol. Hoewel de hals van deze dinosauriŽr een spectaculaire lengte bezit, is hij verrassend licht en beweeglijk omdat de afzonderlijke beenderen licht zijn en een honingraatstructuur bezitten. Met een gering gewicht wordt aldus maximale sterkte bereikt. De hals hoefde niet zwaar gespierd te zijn. Tussen de afzonderlijke wervels liepen spieren, zodat de hals met grote precisie kon worden gebogen. Grote bewegingen van de hele hals werden mogelijk gemaakt door een op afstand bediend systeem. Tussen de verticale uitsteeksels van de hals- en rugwervels liepen enorm sterke, elastische ligamenten, die de nek zonder spierinspanning overeind hielden. Waarschijnlijk fungeerden lange pezen die van de rug naar de achterzijde van de hals liepen, als de armen van een kraan en regelden ze de verticale positie van de kop. Aan weerskanten van de onderzijde van de hals zijn lange, dunne ribbels van benige ribben te zien, waarschijnlijk de aanhechtingsplaatsen van de krachtige nekspieren. Deze maakten zijwaartse bewegingen van de hals mogelijk terwijl het dier van de bomen vrat.

De inwendige organen
In 1980 werd aangetoond dat de houding van dinosauriŽrs speciale eisen stelde aan de bloedvoorziening. De belangrijkste factor was de positie van de kop. Dit is het beste uit te leggen aan de hand van het extreme voorbeeld van Brachiosaurus uit de wereld van de dinosauriŽrs, maar het algemene principe geldt ook voor alle andere dinosauriŽrs. Brachiosaurus is meer dan 11 m hoog. De hersens die de activiteiten van dit enorme dier controleren, liggen ongeveer 7,5 m boven het hart. Om bloed naar de hersens op die hoogte te kunnen pompen, moet het hart een enorme druk opwekken en moet het dus groot en sterk gespierd zijn geweest. Hoewel dat allemaal heel logisch en begrijpelijk lijkt, past het feit dat het hart in staat was een enorme bloeddruk op te wekken, niet met onzen kennis over de werking van het hart van een modern reptiel. Het hart van reptielen, zoogdieren en vogels pompt het bloed door het lichaam via twee gescheiden circuits. Het ene circuit (kleine bloedsomloop) loopt door de longen, zodat het bloed het teveel aan kooldioxide kan afgeven en zuurstof kan opnemen. Het andere circuit (grote bloedsomloop) leidt het zuurstofrijke bloed uit de longen naar de rest van het lichaam. Bij zoogdieren en vogels zijn deze twee circuits Ė de pulmonaire bloedsomloop (van en naar de longen) en de systemische bloedsomloop (van en naar de rest van het lichaam) Ė van elkaar gescheiden in het hart, dat verdeeld is in een linker en een rechter helft. Bij levende reptielen zijn deze bloedsomlopen niet volledig van elkaar gescheiden. Zij hebben om verschillende reden een Ďlekkendí systeem, waardoor in het hart bloed uit de pulmonaire en bloed uit de systemische bloedsomloop zich kunnen vermengen. Als de dinosauriŽrs een hart zouden hebben gehad dat te vergelijken was met dat van moderne reptielen, zou dit catastrofaal zijn geweest. Dit blijkt uit het voorbeeld van Brachiosaurus. Bloed met een hoge druk dat bedoeld is voor de hersens en de rest van het lichaam, zou in het pulmonaire circuit kunnen lekken. De longen moeten echter onder lage druk werken, omdat er allen via heel dunne en dus zwakke haarvaten effectief gas uitgewisseld kan worden. Bloed onder hoge druk zou omvangrijke bloedingen in de longen veroorzaken met als gevolg dat de brachiosauriŽr letterlijk zou verdrinken in zijn eigen bloed. Ook de ademhaling is een functie waarnaar we bij de dinosauriŽrs alleen maar kunnen gissen. Brachiosaurus heeft grote holten in de wervels. Vlakbij de uiteinden van de holle ribben zat ook een opening. Deze kenmerken waren van belang voor de reductie van het lichaamsgewicht. Levende dieren verschaffen echter bewijzen dat de holten nog een andere functie hebben. De moderne vogels hebben holten in hun ruggengraat en ledematen en hebben beenderen met een honingraatstructuur. Ze staan in verbinding met een uitgebreid stelsel van luchtgangen die deel uitmaken van het ademhalingsstelsel. Ze zijn verbonden met grote luchtzakken, die de werking hebben van een blaasbalg en lucht door de longen pompen. Tevens schijnen ze de warmte af te voeren die door de grote, krachtige vliegspieren wordt geproduceerd. Als de openingen en doorgangen in het skelet van Brachiosaurus en vele andere grote saurischiŽrs overeenkomen met die van de huidige vogels, hadden ze een zeer efficiŽnt ademhalingssysteem (dat van de vogels is superieur aan dat van de zoogdieren) en konden ze mogelijk een zeer actief leven leiden. Bovendien gebruikten ze dit systeem misschien om lichaamswarmte af te voeren. Een constante inwendige lichaamstemperatuur die niet afhankelijk is van de omgevingstemperatuur, is voor elk dier zeer wenselijk. Dankzij een constante temperatuur kunnen de inwendige chemische processen van het dier onder alle omstandigheden gelijkmatig en efficiŽnt verlopen. Alle chemische reacties in het lichaam worden gestuurd door enzymen, en die zijn zeer temperatuurgevoelig. Het is geen toeval dat de dieren die nu de grootste herseninhoud hebben - de vogels en zoogdieren - een constante lichaamstemperatuur in stand houden. De hersenen zijn afhankelijk van een ongelooflijk complexe reeks door enzymen gestuurde reacties en de evolutie van z'n verfijnde structuur zou onmogelijk zijn geweest zonder een constante lichaamstemperatuur. Brachiosaurus zou, dankzij zijn enorme formaat en de daaruit voortvloeiende gunstige verhouding tussen inhoud en lichaamsoppervlak, niet zo heel veel te lijden hebben gehad van snelle temperatuurveranderingen. Hoe groter het dier, des te trager verandert de lichaamstemperatuur als de omgevingstemperatuur verandert. Als overlevingsstrategie heeft dit een aantal voordelen, met name voor een brachiosauriŽr. Door middel van spieractiviteit kan hij snel een hoge lichaamstemperatuur opwekken - gewoon rondlopen vereist veel spierinspanning, en de warmte daarvan wordt door het bloed door het hele lichaam getransporteerd. Voeg daaraan toe het feit dat deze dieren in de vorm van hun darmstelsel een grote warmte producerende gistkuip meesjouwden, en het is vrijwel zeker dat deze dieren altijd op temperatuur bleven. Misschien dreigden ze eerder oververhit te raken dan onderkoeld. Relatief bescheiden activiteiten, zoals enige tijd lopen, zouden een groot overschot aan spierwarmte opleveren, waardoor de lichaamstemperatuur fors steeg. Het afdoende snel afvoeren van deze warmte vormde wellicht een groot probleem. Hetzelfde probleem komen we tegen bij de hedendaagse olifanten, die hun enorme oren als radiatoren gebruiken. We beschikken over enige aanwijzingen dat de brachiosauriŽrs misschien ook gebruik maakten van andere technieken. De luchtzakken konden wellicht ook als warmteopslagplaats worden gebruikt. De lange, cilindrische hals en staart straalden misschien ook veel warmte uit, in het bijzonder als de doorbloeding van de huid selectief kon worden geregeld, zoals bij de hedendaagse reptielen. Voorts speelden ook de uitzonderlijk grote neusgaten van deze dinosauriŽrs een rol bij de temperatuurregeling. Het is louter speculatie, maar het is niet uitgesloten dat het bloed dat door dunne membranen aan de binnenzijde van de neus stroomde, gekoeld werd met de lucht die door de grote neusgaten stroomde.

De overlevingsstrategie
Een fors formaat heeft verscheidene voordelen. Wie groot is, heeft weinig vijanden. Het lijkt erg onwaarschijnlijk dat er een roofdier bestond die in staat was een volwassen brachiosauriŽr te overmeesteren. Een fors formaat heeft het voordeel van een relatief constante lichaamstemperatuur, terwijl de snelle stofwisseling die noodzakelijk is voor endothermie en de enorme energie-investeringen van voedselverorbering van een endotherm systeem, overbodig zijn. Een fors formaat brengt een zuinige stofwisseling met zich mee, omdat de energie-eisen van grote dieren, in verhouding tot het lichaamsgewicht, lager liggen dan die van kleine dieren. Grote herbivoren kunnen van veel schraler voedsel leven dan kleine. Door de gunstige verhouding tussen lichaamsinhoud en lichaamsoppervlak is de kans op uitdroging in perioden van droogte ook veel kleiner. Aan een zeer groot formaat kleven natuurlijk ook nadelen. Om te beginnen moet er enorm worden gegroeid voordat het dier zijn definitieve omvang bereikt en onkwetsbaar is. Gezien de inspanning die het kost om twintig of meer ton vlees van zijn plaats te krijgen, is lopen metabolisch gezien zeer kostbaar. Het grote formaat gaat ook ten koste van de lenigheid en de snelheid. De groei moet een zware belasting zijn geweest voor het metabolisme van het dier en voor zijn omgeving, omdat het van ongeveer 20 kg uitgroeit tot een volwassen dier met een gewicht van 20 of 30 ton. Ongeacht hoe snel de groei verloopt, het jonge dier moet een lange tijd een makkelijke prooi zijn geweest voor roofdieren. Niemand weet of de brachiosauriŽrs broedzorg kenden of dat de jonge dieren zichzelf moesten zien te redden.

Hoe je je Brachiosaurus voor kunt stellen
Het dier was waarschijnlijk grijs tot grijsbruin, met bruine vlekken op de kop, nek rugstreep en schouders. De rode zakken op zijn voorhoofd kunnen worden opgeblazen. Zoals veel sauropoden leeft dit dier in kudden. In tegenstelling tot andere sauropoden is bij Brachiosaurus het mannetje echter dominant. Een enorm mannetje staat aan het hoofd van een harem van tien of meer vrouwtjes, die meestal behoorlijk kleiner zijn. Een kudde bestaat uit een mannetje, zijn harem en zijn afstammelingen, naast een groep ondergeschikte verwante mannetjes. De dominantie van het alfa-mannetje wordt tijdens het paarseizoen in de lente betwist. Ondergeschikte mannetjes dagen hem dan uit tot een gevecht, dat zeer gewelddadig kan zijn. Belangstellenden dienen op een veilige afstand te blijven om niet te worden vermorzeld. Na de schermutselingen volgt het paren, dat vaak even spectaculair (en gevaarlijk) is als de gevechten. Het vrouwtje legt 10 tot 12 eieren, die met vegetatie worden bedekt en goed in de gaten worden gehouden. De Brachiosaurus-kudden trekken tussen hooggelegen bossen met coniferen en laaggelegen parkachtige paargebieden. Deze dieren voeden zich continu met malse, jonge blaadjes en dennenappels, maar moeten door dit weinig voedzame dieet iedere dag fenomenale hoeveelheden verorberen. Het dieet wordt aangevuld met vitaminen die door bacteriŽn in de darmen worden aangemaakt. Deze helpen ook de plantenresten verteren. Een kudde gigantische sauropoden heeft een verwoestend effect op de omgeving. De groep moet voortdurend verder trekken. Zo kunnen de leden zich blijven voeden en heeft weinig vijanden, met uitzondering van kleine theropoden als Ornitholestes die eieren stelen en grote, ís nachts levende theropoden als Allosaurus maximus. Een aanval van theropoden komt echter maar zelden voor. De voornaamste bedreiging voor een volwassen Brachiosaurus-mannetje is een ander Brachiosaurus-mannetje.


2Dixon; pag. 44
3Gardiner; pag. 93, 128-129
4Gee; pag. 64
5Lindsay; pag. 62
6Norman; pag. 62, 110, 115-116, 170-175
Tijd:
Laat-Jura, 128 miljoen jaar geleden uitgestorven

Plaats:
Noord-Amerika (Colorado) en
Afrika (Tanzania en Algerije)

Grootte:
23 m

Classificatie:
Eukaryota
Animalia
Vertebrata
Tetrapoda
Amniotomorpha
Reptilia
Diapsida
Archosauro- morpha
Archosauria
Dinosauria
Saurischia
Sauropodo- morpha
Sauropoda
Brachiosauridae
Brachiosaurus