Macraucheniidae    
Van deze bijzondere litopternen met hun neushoornpoten, lange hals en slurf werd ooit gedacht dat het uitgestorven kamelen waren. Op zich was dit niet zo gek, want de lamaīs en hun naaste verwanten uit de kamelenfamilie leefden in hetzelfde gebied. Beide groepen zijn echter niet verwant en iedere gelijkenis berust op convergente evolutie.

Macropodidae    
Tot deze familie behoren de bekendste buideldieren - de kangoeroes en de wallabies. Kangoeroes komen voor in AustraliŽ en Nieuw-Guinea. Daarnaast zijn ze ingevoerd op HawaÔ en in Engeland en Nieuw-Zeeland. Toen de eerste Europese ontdekkingsreizigers naar AustraliŽ kwamen, vroegen zij aan de inlandse bevolking: "Wat zijn dat voor een hoppende beesten?" De Aboriginals antwoorden "Kangoeroe". Wat betekent "Ik begrijp het niet". De naam Macropodidae betekent "grote poten", wat slaat op hun enorme achterpoten. Deze achterpoten stellen de soorten in staat om grote sprongen te maken. Verder hebben de dieren een lange, gespierde staart. Het vrouwtje heeft een buidel, waarvan de bovenkant open is. Het zijn over het algemeen grazers. De grootste soort is de rode reuzenkangoeroe (Macropus rufus), waarvan de mannetjes 66 kilogram kunnen wegen. Bij de geboorte zijn kangoeroes doorgaans niet groter dan 2cm in doorsnee. In AustraliŽ maakten de Aboriginals eeuwenlang jacht op de kangoeroe voor de vacht en vlees. Dit had weinig gevolgen voor de populatie. De Europeanen hadden echter een grote invloed op de kangoeroes. Ze vernietigden biotopen om ruimte te maken voor o.a. schapen en akkerbouw en namen uitheemse zoogdieren mee, als de vos, de kat, de hond en het konijn. Enkele (vooral kleinere) kangoeroesoorten stierven uit, maar het aantal reuzenkangoeroes nam toe. Door het vernietigen van bossen ontstonden grasvelden, die uitermate geschikt waren voor de reuzenkangoeroes. De reuzenkangoeroes worden vaak door boeren als een plaag gezien, die het gras van de schapen opeten. Daarom worden ze door de boeren afgeschoten. Ook de toename van de vraag naar kangoeroevlees en -leer draagt hieraan bij.

Mamenchisauridae    
De familie Mamenchisauridae bestaat uit sauropode dinosauriŽrs die leefden vanaf het Midden- tot Laat-Jura, ongeveer 162 tot 145 miljoen jaar geleden. Alle leden van de familie zijn afkomstig uit China. Ze onderscheiden zich door hun schedel, welke langer en zwaarder is dan die van de diplodociden, met spatelvormige tanden. De hals is zeer lang, de halswervels hebben een verlenging naar de onderkant toe ter ondersteuning van het draagvermogen, en de halsribben zijn ťťn met de halswervels. De beenderen aan de onderkant van de staartwervels zijn gevorkt. De voor- en achterpoten zijn bijna gelijk aan die van de camarasauriŽrs.

Mammalia    
De Mammalia, oftewel de zoogdieren, hebben, zoals hun naam al zegt, het unieke en belangrijke kenmerk dat ze hun jongen zogen. Alle zoogdieren hebben melkklieren, die melk produceren waarmee de jongen gevoerd worden. Ook de eierleggende zoogdieren - het vogelbekdier en de mierenegels - hebben melkklieren. De evolutionaire betekenis van het zogen is groot. Een wijfje kan haar jongen achterlaten in een hol of een nest en op jacht gaan. Bij terugkomst is ze in staat melk te produceren. De jongen zijn hierdoor verzekerd van regelmatige, voedzame maaltijden. Dooor niets anders te doen dan slapen en drinken, groeien ze als kool. Een ander belangrijk kenmerk is dat zoogdieren haren hebben, meestal in de vorm van een vacht. Het doel van de vacht is het vasthouden van de lichaamswarmte van deze warmbloedige dieren. De meeste zoogdieren handhaven een lichaamstemperatuur die aanmerkelijk hoger is dan de omgevingstemperatuur. De mens heeft bijvoorbeeld een lichaamstemperatuur van ongeveer 37 graden Celcius. Bij een lagere omgevingstemperatuur krijgen we het koud en moeten we kleren aantrekken. Bij een hogere omgevingstemperatuur krijgen we het warm en zweten we om warmte kwijt te raken. Het voordeel van een constante lichaamstemperatuur is dat zoogdieren gedurende lange tijd onafgebroken actief kunnen zijn. De keerzijde is echter dat zoogdieren veel moeten eten om over voldoende energie te kunnen beschikken. De eerste zoogdieren verschenen in de Laat-Trias, ongeveer 200 miljoen jaar geleden. Tijdens de Jura en het Krijt speelden de zoogdieren een ondergeschikte rol. Het leven op het land werd toen gedomineerd door reptielen, in het bijzonder de dinosauriŽrs. De MesozoÔsche zoogdieren leken op kleine knaagdieren en leefden van insekten poppen, rupsen en kevers. Andere vroege zoogdieren, zoals de multituberculaten, waren planteneters. Met de afsluiting van het MesozoÔcum veranderde de wereld. De belangrijkste verandering op het land was het verdwijnen van de dinosauriŽrs. In het daarop volgende KaenozoÔcum, dat ongeveer 65 miljoen jaar geleden begon, waren de bedektzadigen, de insekten, de vogels en de zoogdieren de dominante levensvormen op het land. Het verschijnen van tropische regenwouden, van bossen in de gematigde streken, van savannen en prairies voorzag de zoogdieren van een hele reeks woongebieden waarin zij konden leven. Zoogdieren hebben alle continenten, grote eilanden en oceanen ter wereld bewoond. Heden ten dage is Antarctica het enige continent zonder permanent aanwezige zoogdieren, afgezien dan van de zeeleeuwen die de Antarctische kusten onveilig maken. Maar zelfs Antarctica is nooit onbewoond geweest door zoogdieren. In het Eoceen, ongeveer vijftig miljoen jaar geleden, was Antarctica bedekt met bossen waar in verschillende buideldieren leefden. De zoogdieren kenden hun grootste vormenrijkdom in het Mioceen, ongeveer vijftien miljoen jaar geleden. Sindsdien is het klimaat op aarde gaandeweg slechter geworden met als dieptepunt de ijstijden in het Pleistoceen, die ongeveer twee miljoen jaar geleden een aanvang namen. De afname van de tropische woongebieden - in de tropen bereiken dieren hun grootste soortenrijkdom - is verantwoordelijk voor de vermindering van het aantal zoogdierensoorten. Tijdens de afwisselend warme en koude perioden van de ijstijden ontwikkelde zich echter wel een aantal reuzenvormen zoals de mammoet, het reuzenhert en de reuzenluiaard, die alle in de laatste twaalfduizend jaar zijn uitgestorven. Zoogdieren hebben een actieve levensstijl die een goede controle over het zenuwstelsel vereist. De grote, complexe hersenen kunnen de informatie die ze via de zintuigen krijgen, snel verwerken. De kleine, primitieve zoogdieren uit het MesozoÔcum ontwikkelden zich gaandeweg tot grotere vormen, die zich verspreidden over zeer uiteenlopende leefmilieus. Het in bezit nemen van de verschillende leefmilieus dwong de zoogdieren to aanpassing van hun ledematen. De vroege zoogdieren hadden primitieve, vijftenige (pentadactyle) voeten. De voeten van snel rennende carnivoren zoals de katachtigen zijn in feite hetzelfde, alleen is de binnenste teen gereduceerd. Zoogdieren die in bomen leefden, ontwikkelde lange armen en achterpoten met lange tenen. Zoogdieren die op de prairies en savannen grazen, hebben lange, slanke poten met hoeven. De poten van deze dieren hebben slechts ťťn functie: voortbeweging. Deze dieren missen het vermogen om de poten opzij te bewegen. Het aantal beentjes in de voeten is gereduceerd tot twee zoals bij de runderen of tot ťťn zoals bij de paarden. Carnivoren kunnen deze economische trend niet volgen, omdat hun poten meerdere functies hebben: lopen, grave, klimmen, zwemmen, prooi pakken en prooi vasthouden. Hun poten hebben in feite de primitieve structuur behouden. Bij de robben en zeeleeuwen zijn de ledematen veranderd in hoog gespecialiseerde zwempoten. Het bovenste deel van de poten is kort em de voet is verlengd en voorzien van zwemvliezen, waardoor er een peddel ontstaat. Bij walvissen wordt de voortbeweging in het water vooral verzorgd door de op- en neergaande bewegingen van de staart. De voorpoten zijn verander in vinnen, waarmee de dieren sturen; de achterpoten zijn verdwenen. Bij vleermuizen zijn de voorpoten veranderderd in een soort vleugels. Drie sterk verlengde vingers vormen de ondersteuning voor de vlieghuid of patagium. Zoogdieren hebben drie verschillende typen hoornige uitgroeisels aan hun tenen: nagels, klauwen en hoeven. Nagels vinden we bij primaten, olifanten en neushoorns. Klauwen zijn het best ontwikkeld bij carnivoren, maar komen ook voor bij gravende dieren zoals miereneters en luiaards. Hoeven treffen we vooral aan bij paarden en antilopen, die leven op uitgestrekte gralslanden en op struiksteppen, maar we zien ze ook bij berggeiten en kamelen. Door het verlengen of verkorten van delen van de poten en soms door het verlies van voet- of handbeentejs, is de primitieve, pentadactyle poot zo aangepast dat zoogdieren zich in vrijwel alle milieus kunnen voortbewegen - op een onder de grond, in bomen, in het water en in de lucht. Het vermogen om zich in tal van milieus te kunnen voortbewegen, stelt de zoogdieren in staat om zeer verschillende voedselbronnen te exploiteren. Dit vergt evenwel een aanpassing van het gebit. In de eerste plaats om het voedsel te kunnen bemachtigen en in de tweede plaats om het voedsel klein te kunnen maken. Ook moet een zoogdier kunnen beschikken over een spijsverteringsstelsel dat in staat is om een maximale hoeveelheid voedingsstoffen aan het voedsel te onttrekken. Zoogdieren worden ingedeeld op grond van de bouw van hun gebit en hun ledematen. Aangezien ze zich moeten voortbewegen om voedsel te verkrijgen, zijn de functies van gebit en ledematen nauw verweven. Tanden zijn gemaakt van erg sterk calciumfosfaat. Ze fossiliseren makkelijk en blijven veel langer intact dan ander delen van het lichaam. Gedurende zijn leven wordt het gebit van een zoogdier eenmaal vernieuwd. Het eerste gebit, het melkgebit, breekt kort na de geboorte door en wordt na korte tijd vervangen door het definitieve of blijvende gebit. Het gebit van een primitief zoogdier bestaat uit 44 tanden en kiezen die in een bepaalde volgorde in de kaken zijn gerangschik. Op iedere kaakhelft staan in totaal elf tanden en kiezen: drie snijtanden, ťťn hoektand, vier valse kiezen (premolaren) en drie echte kiezen (molaren). er zijn maar weinig zoogdieren die een dergelijk primitief gebit hebben. Bij de meeste zijn er tanden verdwenen en de resterende tanden verder gespecialiseerd. De snijtanden staan voor in de kaken. Ze worden gebruikt om prooidieren vast te houden en aan stukken te scheuren. Gespecialiseerde zoogdieren hebben nog slechts ťťn snijtand (per kaakhelft), die sterk vergroot is, zoals de slagtand van een olifant of de knaagtand van een knaagdier. De hoektand is een kleine, slagtandvormige tand, die door carnivoren worden gebruikt om prooien mee te doorboen en vast te houden. Bij sommige carnivoren is deze tand sterk vergroot en vormt een zogenaamde sabeltand. Bij herbivoren is de hoektand verdwenen of erg klein. De snijtanden en hoektanden zijn vooral bij herbiforen door een ruimte (diasteem) gescheiden van de valse en echte kiezen. Hierdoor kunnen beide tandtypen tegelijkertijd functioneren. De valse kiezen zijn net als de snij- en hoektanden simpel van bouw. Op het bijtoppervlak hebben ze slechts ťťn knobbel, maar ze hebben twee wortels in plaats van ťťn. Het aantal valse kiezen is vaak gereduceerd. Soms zijn deze kiezen gespecialiseerd zoals bij de hyena's, waar het dikke lage kegels zijn, geschikt voor het kraken van botten. Bij veel herbivoren hebben de premolaren dezelfde vorm en functie als de molaren. De echte kiezen zijn complex, ontbreken in het melkgebit en verschijnen van alle tanden het laatst. Echte kiezen hebben meerder wortels en een kroon die uit verschillende knobbels bestaat. Elke familie en en elk geslacht heeft een karakteristiek knobbelpatroon. De echte kiezen zijn daarom van enorm belang voor herkenning en indeling. Bij primitieve zoogdieren zijn de knobbels op de echte kiezen gerangschikt als een driehoek. Bij een dichte bek vormen de knobbels een zigzagpatroon van snijranden waarmee zacht voesel zoals wormen en insekten vermalen kunnen worden. Bij carnivoren zijn de snijranden van de knobbels nog sterker ontwikkeld. Bij herbivoren hebben de echte kiezen nog een vierde knobbel en is de driehoek verander in een vierhoek. Hierdoor is een aaneengesloten kauwvlak ontstaan. Door zijdelingse, voor- en achterwaartse en circulaire kauwbewegingen wordt het voedsel tussen de kauwvlakken van de kiezen verpulverd. Zoogdieren worden op basis van hun voortplantingswijze in twee onderklassen ingedeeld: de eierleggende Prototheria en de levendbarende Theria. De primitievere onderklasse Prototheria omvat de uitgestorven multituberculaten en triconodonten, en de nog levende Monotremata. De mierenegel en het vogelbekdier uit AustraliŽ zijn de levende nazaten van deze laatsten. De onderklasse Theria wordt onderverdeeld in de uitgestorven Trituberculata, de Metatheria en de Eutheria, waartoe de meeste levende soorten behoren. De Metatheria of buideldieren hebben geen placenta. De jongen, die in een veel vroeger stadium worden geboren dan bij de Eutheria, zetten hun ontwikkeling voort in de buidel van de moeder, zuigend aan haar tepel. Bij de Eutheria ontwikkelt het jong zich in de baarmoeder of uterus. Het wordt gevoed via de placenta of moederkoek met voedingsstoffen uit het bloed van de moeder.

Mammaliaformes    
Binnen de groep van Mammaliaformes ('zoogdiergelijkenden') bevinden zich de primiefste en vroegste zoogdieren. Te primitief om geheel tot de klasse Mammalia te mogen behoren. Ze hebben zich in de Laat-Trias ontwikkeld uit de Cynodonta, die zeker voortleefden tot in het Vroeg-Krijt. Ze zijn zo erg met elkaar verwante dat het lastig is om een scheidlijn te trekken tussen de latere en dus meer ontwikkelde cynodonten en de vroege, zeer primitieve zoogdieren. De vroege zoogdieren uit het MesozoÔcum leken wat op kleine knaagdieren. De groep Mammaliaformes bestaat uit een aantal families van vroege zoogdieren en leidt uiteindelijk verder naar de Mammalia.

Mammutidae    
De Mammutidae waren geen mammoeten maar mastodonten. De kiezen van deze dieren hadden een eenvoudig patroon van lage, afgeplatte knobbels die gerangschikt waren in dwarsrijen, gescheiden door groeven. Hiermee onderscheidden zij zich van de gomphotheriŽn, waarbij de rangschikking van de knobbels in dwarsrijen veel ingewikkelder was en de groeven tussen de rijen bezet waren met kleinere knobbels.

Manidae    
De familie Manidae (schubdieren) is de enige familie uit de orde Pholidota. Het waren wonderlijke beesten, bedekt met uit samengeperste haren bestaande schubben. Ze hadden wel wat weg van enorme, lopende dennenkegels. De poten waren sterk en aangepast aan graven. De schubdieren, miereneters en gordeldieren worden vanwege de overeenkomstige levenswijze vaak in een groep ondergebracht. Dit gebeurt echter meer gemakshalve dan op basis van werkelijke verwantschap. De extreme specialisaties van deze dieren maken het moeilijk de precieze verwantschappen te achterhalen. De zeven levende schubdiersoorten worden alle ondergebracht in het geslacht Manis. Ze komen voor in tropisch Afrika en in Zuidoost-AziŽ.

Marellomorpha    
De Marellomorpha is een klasse binnen de Arthropoda en is de huidige benaming voor de niet meer bestaande klasse Trilobitoidea en bevat de zogenaamde veterkrabben. Zij leefden van het Cambrium tot en met het Devoon. Langs hun lichaam hadden zij tweetakkige aanhangsels met kieuwen. Op de kop droegen zij stekels en twee paar aanhangsels. Marrella-achtigen zwommen vrij in zee.

Marsupialia    
De buideldieren, waaronder de kangoeroes en koala's van AustraliŽ en de opossums van Amerika, behoren tot de oudste zoogdieren. Ze ontstonden in het Laat-Krijt, tussen 110 en 75 miljoen jaar geleden. De buideldieren hebben een unieke wijze van voortplanting. Placentale zoogdieren dragen hun jongen in het lichaam in de baarmoeder, waar ze worden gevoed via een placenta. Ze worden pas geboren als ze al ver ontwikkeld zijn. De jongen van de buideldieren worden al geboren als ze nog maar weinig meer zijn dan embryo's. Hun verdere ontwikkeling maken ze door in de buidel van de moeder, waar ze gezoogd worden. De buideldieren hebben zich waarschijnlijk ontwikkeld in Noord- of Zuid-Amerika. Een groep verspreidde zich via het toen veel warmere Antarctica naar AustraliŽ. een andere groep trok via Noord-Amerika naar Europa. Dit was mogelijk doordat de continenten in het Laat-Krijt nog enigszins verbonden waren. Vooral in het geÔsoleerde Zuid-Amerika en in AustraliŽ maakten de buideldieren tijdens het Tertiair een bloeiperiode door. In het begin van het Eoceen trok een nieuwe groep buideldieren via Noord-Amerika naar Europa. Deze groep bereikte in het Oligoceen Noord-Afrika en Centraal-AziŽ. Het waren vertegenwoordigers van de familie Didelphidae, waarote ook de moderen opossums behoren. De leden van deze groep worden beschouwd als de meest primitieve en vroegste buideldieren. In het Vroeg-Mioceen waren de didelphiden in Noord-Amerika uitgestorven en in Europa ondergingen ze in het Midden-Mioceen hetzelfde lot. In Europa kwamen ze nooit meer terug. In Noord-Amerika keerden de buideldieren na de totstandkoming van de Panama-landbrug, drie miljoen jaar geleden, weer terug met het moderne geslacht Didelphus (Noordamerikaanse opossum). De Zuidamerikaanse buideldieren zijn echter vrijwel allemaal uitgestroven als gevolg van invasies van placentale zoogdieren uit Noord-Amerika. Dit gebeurde in het Plioceen, toen deze beide continenten door een tijdelijke Centraalamerikaanse landbrug waren verbonden. De Australische buideldieren weten ondanks de concurrentie van placentale zoogdieren nog steeds stand te houden. De mogelijke reden hiervoor is het voortdurend naar het noorden opschuiven van AustraliŽ tijdens het Tertiair. Het gevolg was dat het klimaat in enkele tientallen miljoenen jaren van gematigd in tropisch veranderde. De buideldieren moesten zich continu aan het veranderende milieu aanpassen en zijn hierdoor genetisch sterk. Dit kon echter niet verhinderen dat een aantal van hen door menselijke activiteiten veel zeldzamer is geworden (koalabeer) of zelfs is uitgestorven (Tasmaanse buidelwolf). Zuid-Amerika is in dezelfde periode weinig van plaats veranderd. De buideldieren evolueerden nauwelijks, waren genetisch zwak en konden makkelijk verdrongen worden door de placentale zoogdieren.

Meiolaniidae    
De landschildpadden uit deze familie verschenen in het Laat-Krijt en stierven pas betrekkelijk recent uit, namelijk in het Pleistoceen, zo'n twee miljoen jaar geleden. Ze konden de kop niet in het pantser terugtrekken, maar waren op andere wijze goed beschermd.

Megalosauridae    
Deze familie leefde van de vroeg Jura tot aan het einde van het Krijt (ongeveer 140 miljoen jaar). Hiertoe behoren de oudste, bekende carnosauriŽrs. Resten vandeze dieren zijn gevonden in Noord-Amerika, Afrika en Europa. Het waren zwaar gebouwde dieren met grote beenderen. De kop was hoog en smal en de sterke kaken waren bezet met talrijke scherpe tanden met een gezaagd snijvlak. De armen waren kort maar krachtig en de poten lang en groot genoeg om het enorme lichaamsgewicht te dragen. De voeten waren voorzien van drie uitgespreide, geklauwde tenen.

Melanorosauridae    
De vertegenwoordigers van deze groep behoren tot de grootste prosauropoden. Sommige paleontologen geloven dat deze dieren de vroeg vertegenwoordigers zijn van de enorme sauropoden. MelanorosauriŽrs lopen uitlsuitend op vier poten, in tegenstelling tot hun kleinere verwanten, de anchisauriŽrs, die ook op twee poten konden lopen.

Meridiungulata    
Tijdens het Tertiair kwam er in Zuid-Amerika een verzameling vreemde, unieke zoogdieren voor, die enigszins vergelijkbaar is met de fauna van het hedendaagse AustraliŽ. Zuid-Amerika maakte eens deel uit van een groot, zuidelijk continent. Door een combinatie van continentverschuivingen en stijgende zeespiegels, raakte het gescheiden van Noord-Amerika, Afrika en Antarctica. In het Vroeg-Tertiair lag er tussen Noord- en Zuid-Amerika een open zee met mogelijk hier en daar enkele eilanden. In deze periode kwamen er in Zuid-Amerika drie zoogdiergroepen voor: de buideldieren, de primitieve edentaten (miereneters, luiaards en gordeldieren) en een aantal vroege hoefdieren. In tegenstelling tot Noord-Amerika, dat door zijn verbinding met Europa, en dan ook met AziŽ en Afrika, gekoloniseerd werd door vrijwel alle zich ontwikkelende zoogdiergroepen, bleef Zuid-Amerika verstoken van nieuwe ontstane groepen. Alleen de knaagdieren en de primaten wisten dit continent te bereiken. Ongeveer vijftig miljoen jaar lang, van het Palaeoceen tot het Plioceen, toen de landbrug tussen Noord- en Zuid-Amerika werd hersteld, hield de oceaan de zoogdieren gevangen op een eilandcontinent zonder placentale roofdieren. De aanwezige dieren evolueerden tot een veelheid van soorten aangepast aan tal van ecologische niches, die elders werden opgevuld door andere groepen. Zij zijn de afstammelingen van de vroege hoefdieren: de meridiungulaten.

Mesonychidae    
De mesonychiden zijn wolf-, hyena- en beerachtige omnivoren die zich ontpopten als roofdieren. Ze floreerden van het Midden-Palaeoceen tot in het Vroeg-Oligoceen. Daarna werden achtereenvolgens de creodonten en de echte carnivoren de dominante vleeseters. Op grond van overeenkomsten in de rangschikking van de beenderen aan de basis van de schedel en in het gebit veronderstelt men dat de mesonychiden, ondanks hun totaal andere levenswijze en leefmilieu, de voorouders zijn geweest van de walvissen en de dolfijnen

Mesosauria    
De mesosauriŽrs waren de eerste groep reptielen die weer terugkeerden naar het water. Ze verschenen voor het eerst in het Perm en stierven na betrekkelijk korte tijd uit. Hun overblijfselen zijn alleen bekend van het zuidelijk halfrond.

Mesosauridae    
Dit is de enige familie van de mesosauriŽrs, een volledig aan het leven in het water aangepaste groep reptielen. Ze zwommen met hun lange, brede staart en hun lange achterpoten en stuurden met hun voorpoten. Met hun fijne, puntige tanden zeefden ze vermoedelijk plankton uit het water.

Mesosuchia    
De meeste fossiele krokodillen behoren tot deze groep, die vermoedelijk ontstond uit de Protosuchia. Ze verschenen voor het eerst tijdens de vroege Jura en bleven tot ver in het Tertiair aanwezig. De laatste vondsten van de Mesosuchia dateren uit het Mioceen (vijftien miljoen jaar geleden). Er zijn in totaal ongeveer zeventig geslachten bekend, behorende tot zestien families. Sommige dieren waren net als hun voorouders volledig aangepaste landbewoners, terwijl anderen een semi-aquatisch leven leidden. Een terrestrische familie, de Sebecidae, leefde gedurende het Vroeg-Tertiair in Zuid-Amerika. De lange snijtanden hadden gekartelde randen en waren identiek aan de tanden van de grote carnosauriŽrs. Paleontologen veronderstellen dat de krokodillen in deze periode de belangrijkste roofdieren van Zuid-Amerika waren, aangezien dit eilandcontinent nog niet bereikt was door grote carnivore zoogdieren. Slechts vier families van de Mesosuchia leefden in het water (de zeekrokodillen). De Teleosauridae en de Metriorhynchidae zijn de bekendste. Samen met de plesiosauriŽrs en de ichthyosauriŽrs bewoonden zij gedurende de Jura en het Krijt de wereldzeeŽn.

Metacheiromyidae    
De verwantschap tussen deze vroege primitieve dieren en de andere groepen tandarmen is onduidelijk. Mogelijk waren het de voorouders van de schubdieren.

Metatheria    
De twee belangrijkste subgroepen van de Theria - de Metatheria en de Eutheria - ontwikkelden zich vroeg in het Krijt uit een gemeenschappelijke voorouder. De infraklasse Metatheria omvat slechts ťťn orde, de Marsupialia of buideldieren.

Miacidae    
De miaciden, de oudste 'echte carnivoren', verschenen in het Palaeoceen, ongeveer zestig miljoen jaar gelden. Deze familie omvatte een aantal dieren die niet erg verwant aan elkaar zijn en is daarom een kunstmatige groep. De indeling is in zoverre functioneel dat de vroege carnivoren op deze wijze gescheiden zijn van de modernere vormen. De miaciden waren kleine, in bossen levende zoogdieren. Ze leken in veel opzichten op de creodonten, maar waren vermoedelijk intelligenter en hadden een gebit dat geschikter was voor het kleinmaken van vlees.

Microsauria    
De microsauriŽrs vormden de meest gevarieerde groep binnen de lepospondylen. Tot deze groep behoorden landdieren, levend als hagedissen, maar ook in holen levende dieren met poten en in het water levende dieren die in het volwassen stadium hun kieuwen behielden. Alle microsauriŽrs hadden korte poten en een korte staart. De groep ontstond vrij laat in het Carboon en stierf in het Vroeg-Perm uit. In deze groep moeten waarschijnlijk de voorouders van de land- en watersalamanders gezocht worden.

Millerettidae    
De Millerettidae was een familie van anapside reptielen met achter de oogkassen ťťn paar slaapvensters. Dit lijkt met elkaar in tegenspraak daar de anapsiden zich juist kenmerken door het ontbreken van slaapvensters. Echter op basis van andere schedelkenmerken horen de millerettiden wel degelijk bij de anapsiden thuis. Over het algemeen worden ze beschouwd als een groep die zich van de hoofdtak van de reptielen heeft afgesplitst en waarbij zich slaapvensters hebben ontwikkeld. Ze leefden in zuidelijk Afrika in het Midden- en Laat-Perm. Het waren de kleinste daar voorkomende insektivoren.

Mixosauridae    
Bij de mixosauriŽrs zien we voor het eerst een stabiliserende vin op de rug, die alle latere ichthyosauriŽrs kenmerkt. De vissenstaart met gelijke lobben, die de latere ichthyosauriŽrs tot zulke krachtige zwemmers maakte, hadden ze echter nog niet. De wervelkolom boog bij de mixosauriŽrs niet sterk naar beneden zoals bij de andere vishagedissen, maar iets omhoog en verleende vermoedelijk steun aan een lage vin boven op de staart.

Moeritherioidea    
De naam moeritherion is afgeleid van het woord 'Moeris' - de oude Griekse naam voor het meer in de Egyptische Fajoem, waar de resten van deze enige vertegenwoordiger deze suborde zijn gevonden. Therion is het Griekse woord voor dier. In het Eoceen en Oligoceen lagen hier uitgestrekte vruchtbare en beboste kustvlakten.

Mollusca    
Onder de Mollusca vallen alle weekdieren. Slakken, schelpdieren (als oesters en mossels), inktvissen en octopussen zijn de bekendste vormen. Daarnaast zijn er nog wat onbekendere vormen als de Polyplacophora (of "keverslakken") en de Scaphopoda (tandschelpen). De weekdieren zijn een beetje de rivalen van de Arthropoda (geleedpotigen) zowel qua diversiteit aan vormen en groottes, als wel qua ecologisch succes. Het is de soortenrijkste stam op de Arthropoda na met zo'n 128 000 bekende soorten, waarvan er 35 000 fossiel bekend zijn. Vanwege de schelpdieren worden er vele fossielen van gevonden. Waarschijnlijk verschenen de eerste weekdieren in het Pre-Cambrium, er is echter niets bekend over de leefgewoontes van de dieren.

Monoplacophora    
Monoplacophora of mutsslakken betekent ťťn schelp(stuk) dragend, in tegenstelling tot de Polyplacophora (keverslakken) die meer schelpstukken dragen. Op 6 mei 1952 werd voor de eerste maal levende vertegenwoordigers van de Monoplacophora voor de Costa Rica gevonden op een diepte van ruim 3500 meter met het Deense onderzoekschip Galathea. Mutsslakken of mutsweekdieren danken hun naam aan de ovale, mutsachtige schelp. Deze primitieve weekdieren kregen ook de naam oerweekdieren. Voor 1952 waren de Monoplacophora alleen bekend van fossielen van het Cambrium en het Devoon. Er is dan verder ook weinig van deze dieren bekend. Ze bewegen zich voort op een ronde voet met aan beide kanten daarvan 5 kieuwen. Hun kleine kop heeft geen ogen of voelsprieten. En ze lijken zich te voeden zich met modder en gruis van de bodem.

Morganucodontidae    
De Morganucodontidae is de best bekende familie binnen de Tricinodonta. Fossielen van leden van deze familie zijn gevonden in Europa, zuidelijk Afrika an oostelijk AziŽ.

Mosasauridae    
De mosasauriŽrs of maashagedissen vormden een succesvolle, maar kort levende afsplitsing van de varanen. Ze kwamen voor in de kustwateren van het Laat-Krijt en waren volledig aan het zeeleven aangepast. Een aantal soorten kon erg groot worden.

Multituberculata    
De multituberculaten waren de eerste plantenetende zoogdieren. Ze ontstonden in de late Jura en het Vroeg-Krijt en sommige groepen hielden stand tot in het Eoceen. Deze dieren, sommige ter grootte van een muis, andere ter grootte van een bever, leken sterk op moderne knaagdieren, waarmee ze overigens niet verwant zijn. De overeenkomst, vooral die van het gebit, is een gevolg van aanpassingen aan dezelfde levenswijze. De snijtanden van de multituberculaten waren veranderd in grote knaagtanden en de valse en echte kiezen waren geschikt voor het vermalen van plantaardig voedsel. De snijtanden waren van de kiezen gescheiden door een ruimte, het diasteem. Hierdoor konden beide tandtypen tegelijkertijd gebruikt worden. De dieren kauwden door een op- en neergaande beweging van de kaken. De multituberculaten vertonen geen grote verwantschap met andere zoogdieren en het is niet uigesloten dat zij zich onafhankelijk uit de zoogdierachtige reptielen ontwikkeld hebben.

Mustelidae    
De marterachtigen ontwikkelden zich tijdens het Vroeg-Tertiair vermoedelijk uit de miaciden. Tot de moderne vertegenwoordigers van deze groep behoren wezel, hermelijk, das, stinkdier en otter. Het zijn allemaal lange, slanke dieren die leven op gematigde breedten. In de tropen worden ze vervangen door de civetkatachtigen (de Viverridae).

Myrmecophagidae    
De myrmechophagiden of 'echte miereneters' waren gespecialiseerd in het eten van mieren en termieten. Van hun ontwikkeling is weinig bekend. Een vroege vertegenwoordiger van deze familie, Protamandua uit het Vroeg-Mioceen, was al een typische miereneter.

Mysticeti    
De mysticeten of baleinwalvissen werden voor het eerst ontdekt in Nieuw-Zeeland in 35 miljoen jaar oude, mariene gesteenten uit het Vroeg-Oligoceen. Er komen nu nog maar acht geslachten voor, die bijna allemaal met uitsterven worden bedreigd. Baleinwalvissen hebben een unieke foerageermethode ontwikkeld. Ze hebben geen tanden, maar in plaats daarvan grote platen van vezelige, hoornachtige substantie, bekend onder de naam walvisbaarden of baleinen, die van de bovenkaak neerhangen. Deze baleinen vormen een gigantische zeef waarmee kleine, planktonische organismen (krill) uit het water gefiltreerd kunnen worden. De evolutie van baleinwalvissen is mogelijk in gang gezet door de afkoeling van de zuidelijke oceanen in het Vroeg-Oligoceen. De groei van microscopische wieren werd hierdoor gestimuleerd, met als gevolg dat ook de kleine, vrijzwemmende dieren die van deze wieren leven, talrijker konden worden.

Nautiloidea    
De nautiloÔden vormen een groep mariene weekdieren die allen een uitwendige schelp bezitten. Het best bekende voorbeeld is de nautilus, welke ťťn van de twee nog levende geslachten is van deze subklasse. De nautiloÔden bloeiden op gedurende het vroege PalaeozoÔsche tijdperk, waarin zij de meest voorkomende roofdieren waren, en een buitengewone diversiteit aan schelpvormen ontwikkelden. Er zijn ongeveer 2500 soorten fossiele soorten bekend, maar tegenwoordig leven er nog slechts een handvol. De nautiloÔden behoren net als de ammonieten en de inktvissen tot de klasse Cephalopoda. Zowel de ammonieten als de inktvissen zijn ontstaan uit de nautiloÔden. Er zijn drie kenmerken waaraan de schelp van een nautiloid is te herkennen. Dat zijn ten eerste de interne kamers, door elkaar gescheiden door dunne wandjes, zogenoemde septa. Als de nautiloid groeit maakt hij zichzelf los van de laatste septa en maakt vervolgens een nieuwe septa aan, waardoor een nieuwe kamer aan het uiteinde van de schelp ontstaat om in te wonen. Het tweede kenmerk is de siphuncle die door een gat in elke septa het dier met de rest van de kamers verbind. Met behulp van deze vlezige buis verwijdert de nautiloid het water uit de nieuwgevormde kamers. Ook wordt hiermee de gasinhoud en de vloeistofinhoud in de kamers geregeld welke het drijfvermogen van het dier bepalen. Het derde kenmerk zijn de dunne lijnen aan de buitenkant van de schelp, welke ontstaan op de plek waar een septa de buitenste schelpwand raakt. Deze zijn vaak recht of licht gebogen in tegenstelling tot de ingewikkelde lijnen op de schelpen van ammonieten. In het Devoon begon het aantal nautiloÔden af te nemen, mogelijk vanwege de concurrentie met de ammonieten en inktvissen.

Necrolestidae    
Deze familie bestaat uit slechts ťťn zeer gespecialiseerde soort, de uitgestorven Necrolestes. De kaken en tanden van dit dier vertonen enige overeenkomst met die van de moderne goudmollen in Afrika.

Nectridae    
De nectrideeŽn waren vierpotige amfibieŽn met lange, afgeplatte zwemstaarten. De in het water levende dieren ontstonden in het Laat-Carboon en stierven uit aan het eind van het Perm. De schedelstructuur van de primitieve nectrideeŽn leek sterk op die van de labyrinthodonten. Hun poten met elk vijf tenen waren goed ontwikkeld. Modernere latere vertegenwoordigers van de nectrideeŽn hadden kleinere voorpoten en misten aan elke voorpoot een teen. Bij een aantal van hen was de snuit sterk verlengd.

Neornithes    
De onderklasse Neornithes omvat alle recente vogels. Al in het Vroeg-Krijt waren er aan diverse omgevingen aangepaste, primiteve vormen. In het Vroeg-Eoceen, ongeveer vijfig miljoen jaar geleden, waren de meeste moderne groepen al vertegenwoordigd. De Neornithes bezitten een pygostyle en hun staartpennen liggen in een halve cirkel rond de pygostyle. De middenhandsbeentjes zijn vergroeid met de vingerkootjes. Aan de voorpoten bevinden zich geen klauwen en op een paar soorten na hebben ze geen tanden in hun kaken. Ze bezitten een goed ontwikkeld borstbeen (sternum) en de staart bestaat uit 13 of minder wervels.

Neoselachii    
De moderne haaien en roggen of Neoselachii zijn heden ten dage nog talrijk aanwezig en zijn gedurende de laatste 90 miljoen jaar qua uiterlijk niet meer veranderd. Ze ontstonden in het Trias en waren in de Jura al snel een dominante groep en verbreidden zich over de hele wereld. Deze haaien ontwikkelden een grote variŽteit aan tanden die regelmatig worden vervangen. Dit was daarvoor nog ongeŽvenaard. Ze ontwikkelden flexibelere vinnen en de stekels aan de rugvinnen werden gereduceerd. De ruggengraat is verbeend, in plaats van de kraakbenen ruggengraat van de eerdere kraakbeenvissen. Ook een belangrijke ontwikkeling is dat de Neoselachii hun bek wijder open konden sperren, doordat hun onderkaak niet alleen met de schedel, maar ook met de hyomandibulare scharnierde. Hierdoor werd een krachtigere beet mogelijk.

Nimravidae    
De nimraviden waren de eerste katachtigen die zich ontwikkelden. Ze ontstonden in het Vroeg-Oligoceen, 35 miljoen jaar geleden en leefden tot in het Laat-Mioceen, acht miljoen jaar geleden. Deze dieren worden soms aangeduid met de naam 'valse sabeltandkatten', om ze te onderscheiden van de 'echte sabeltandkatten' die ondergebracht zijn bij de Felidae. De nimraviden hadden een lang, slank lichaam en een lange staart. De opvallende hoektanden waren groter dan bij moderne katten, maar veel korter dan van de echte sabeltandkatten. De onderste hoektanden waren echter verhoudingsgewijs langer.

Noasauridae    
De noasauriden vormen een groep theropode dinosauriŽrs die leefden gedurende het Krijt. Ze varieerden van zo'n 70 cm tot mogelijk 13 meter groot, zoals Deltadromeus. De groep Noasauridae is gedefinieerd als alle theropoden die nauwer verwant zijn aan Noasaurus dan aan Carnotaurus.

Nodosauridae    
Van beide families der Ankylosauria was de familie Nodosauridae de vroegste en primitiefste. Ze leefden in het Krijt en onstonden waarschijnlijk in het Laat-Jurassische Europa. Van hieruit verspreidden zij zich over de andere noordelijke continenten. Enkele vertegenwoordigers wisten het zuidelijk halfrond te bereiken, zoals Minmi. NodosauriŽrs hadden een smalle schedel, een pantser bestaande uit massieve beenplaten dat reikte van de nek tot de staart en lange stekels op de flanken.

Nothosauria    
NothosauriŽrs waren gestroomlijnde, visetende, mariene reptielen. Ze hadden lange nekken, staarten en lichamen, voeten met zwemvliezen en vele scherpe tanden op de smalle kaken. De voorpoten waren veel sterker dan de achterpoten en werden vermoedelijk veel meer bij het zwemmen gebruikt. Net als de placodonten verschenen en verdwenen ook de nothosauriŽrs in de loop van de Trias. Sommige paleontologen geloven dat deze dieren een tussenvorm waren van de op het land levende reptielen en de in het water levende plesiosauriŽrs. Echter, kenmerken van het verhemelte en de schoudergordel maken duidelijk dat de nothosauriŽrs niet de directe voorouders, maar eerder een afsplitsing van de voorouders van de plesiosauriŽrs waren.

Nothosauridae    
De nothosauriŽrs worden ondergebracht in verschillende families, maar de bekendste vertegenwoordigers behoren alle tot de familie Nothosauridae. Resten van deze dieren zijn aangeteroffen in mariene sedimenten in Europa en AziŽ en dateren uit de Trias.

Notioprogonia    
De leden van deze orde zijn de oudste notoungulaten. Ze hadden evenals de vroege vertegenwoordigers van de ander suborden een aantal primitieve kenmerken, onder andere een compleet gebit van 44 elementen, nauwelijks gespecialiseerde kiezen met lage kronen en geen of een klein diasteem. De Notioprogonia zijn beperkt tot het Palaeoceen en Eoceen en stierven ongeveer 45 miljoen jaar geleden uit.

Notostylopidae    
De tanden van de notostylopiden vertonen enige specialistie. De dieren leken op een knaagdier en hadden opvallend grote snijtanden, die van de kiezen waren gescheiden door een diasteem. Deze snijtanden hadden een wortel en groeiden niet continu zoals bij een knaagdier. Ze waren dan ook niet geschikt voor knagen.

Notoungulata    
De notoungulaten, letterlijk 'zuidelijke hoefdieren', vormden de grootste orde binnen de Zuidamerikaanse hoefdieren. Er worden honderd geslachten verdeeld over vier suborden onderscheiden. Deze suborden waren vermoedelijk al ontstaan toen Zuid-Amerika aan het einde van het Palaeoceen van Noord-Amerika gescheiden werd. Door de geÔsoleerde positie van Zuid-Amerika konden de zoogdieren van dit continent vormen ontwikkelen die waren aangepast aan niches die elders door andere diergroepen werden bezet. Veel notoungulaten waren kleine dieren die leken op konijnen en bevers. Grotere soorten kwamen overeen met schapen, wrattenzwijnen, paarden, neushoorns en nijlpaarden. Hun onderlinge verwantschap blijkt uit het knobbelpatroon op de kiezen en de rangschikking van de gehoorbeentjes, die uniek is voor deze orde. De meeste soorten leefden in Zuid-Amerika, maar een klein aantal is gevonden in Palaeocene en Eocene afzettingen in Noord-Amerika. De Noordamerikaanse soorten stierven snel uit en sindsdien was de orde beperkt tot Zuid-Amerika. De bloeitijd van de notoungulaten viel in het Oligoceen, maar ook in het Mioceen waren ze nog talrijk. Hierna namen hun aantallen snel af. De laatste notoungulaten stierven uit in het Pleistoceen, ongeveer ťťn miljoen jaar geleden. Dit was kort na het herstel van de Panama-landbrug, die tal van zoogdiergroepen de mogelijkheid bood Zuid-Amerika binnen te trekken.

Nymphaeales    
Nymphaeales is een botanische naam voor een orde binnen de bedektzadigen. Deze orde wordt beschouwd als een primitieve of vroeg divergerende groep. De families binnen deze orde hebben gemeen allen aquatische kruiden, zoals de waterlelies, te zijn en zijn in het fossiele verslag reeds bekend uit het Vroeg-Krijt.

Odobenidae    
Walrussen of odobeniden zijn in tegenstelling tot de pelsrobben en de zeeleeuwen meer aangepast aan het eten van schelpdieren dan van vis. De bovenste hoektanden van deze dieren waren uitgegroeid tot een paar zware slagtanden, die gebruikt werden om weekdieren van de zeebodem los te wrikken. De Stille Oceaan was in het Mioceen de bakermat van de odobeniden. Ze kwamen er tot grote bloei. In het Vroeg-Plioceen leefden er langs de kust van de noordelijke Stille Oceaan zeker vijf walrusgeslachten. Een aantal van de vroege walrussen trok in het Laat-Mioceen (acht miljoen jaar geleden) door de nauwe zeestraat tussen de beide Amerika's naar de Atlantische Oceaan. In het Vroeg-Plioceen, ongeveer dire miljoen jaar later trokken ze naar de Europese en Amerikaanse kustwateren van de noordelijke Atlantische Oceaan. Later in het Plioceen stierven de walrussen in de Stille Oceaan uit, terwijl de Noordatlantische populaties een bloeiperiode doormaakten. Ongeveer ťťn miljoen jaar geleden slaagden deze dieren er in via de Noordelijke IJszee de Stille Oceaan te herbevolken.

Odontoceti    
De odontoceten of tandwalvissen zijn vermoedelijk tijdens het Laat-Eoceen, ongeveer veertig miljoen jaar geleden, ontstaan uit de archaeoceten (oerwalvissen). Veruit de meeste moderne walvissen behoren tot de tandwalvissen. Dit zijn onder andere de bultrug, spitssnuitdolfijnen, grienden, orka's, beloega's, naarwallen, dolfijnen en bruinvissen. In het Laat-Mioceen, ongeveer tien miljoen jaar geleden, waren al deze moderne soorten al ten tonele verschenen. De tanden van de tandwalvissen waren in het algemeen eenvoudiger dan die van de oerwalvissen. Het waren afgeronde pinnen of kegels, zonder knobbels. Sommige tandwalvissen hebben honderden tanden, andere zijn nagenoeg tandeloos.

Odontornithes    
De in het Krijt levende Odontornithes of tandvogels leken sterk op moderne vogels. Het enige verschil was dat zij tanden hadden die in tandkassen in hun kaken stonden, die het pakken van glibberige vissen vergemakkelijkte. Ze misten de lange benige staart van hun voorouders de Archaeornithes en hadden een grote kam op het borstbeen, waaraan de grote vleugelspieren konden aanhechten.

Onychodontida    
De Onychodontida was een vreemde groep rhipidisten uit het Devoon. Hoewel deze vissen ontegenzeggelijk tot de spiervinnigen behoorden, misten zij de karakteristieke gespierde vinlobben.

Ophiderpetontidae    
De Ophiderpetontidae vormen een familie binnen de Orde AÔstopoda. Ze waren wijd verbreid gedurende het Laat-Carboon. De AÔstopoda onderscheiden zich van elkaar qua schedelbouw en de Ophiderpetontidae bezaten een schedel die ongeveer hetzelfde was als bij de primitieve labyrinthodonten. Paleontologen zijn echter nog niet in staat geweest om een definitieve verwantschap aan te tonen tussen beide groepen. De familie Ophiderpetontidae bestaat slechts uit ťťn geslacht: Ophiderpeton.

Ornithischia    
Alle vertegenwoordigers van de Ornithischia waren planteneters, in tegenstelling tot de andere grote orde, de Saurischia, waartoe zowel planten- als vleeseters behoorden. De zijtanden stonden bij vrijwel alle ornithischiŽrs meer binnen op de kaak. De ruimte opzij van de tanden werd waarschijnlijk in beslag genomen door vlezige wangen. Aanvullend bewijs hierovor zijn de lichte indeukingen van de schedel ter hoogte van de wangstreek. De wangen voorkwamen dat voedsel tijdens het langdurige kauwen uit de bek viel. Wangen zijn erg nuttig voor herbivoren en mogelijk verantwoordelijk voor het succes van deze kleine tot middelgrote (tot 10 meter groot) plantenetende dinosauriŽrs uit de Jura en het Krijt. Het uitsterven van de prosauropoden, vroege, wangloze concurrenten uit de Trias, is mogelijk een gevolg van het succes van de ornithischiŽrs. De ornithischiŽrs worden verdeeld in vier suborden. Drie hiervan omvatten viervoetige dieren die voorzien waren van een of ander pantser. Bij de stegosauriŽrs stonden grote beenplaten op hun rug. De ankylosauriŽrs hadden een met beenplaten bepantserde huid en een 'knots' aan het staarteinde. De Ceratopia ten slotte hadden hoorns op de kop en beenkragen in de nek. De vierde suborde omvat de ornithopoden. Dit waren tweevoetige dieren en mogelijk de voorouders van alle andere ornithischiŽrs.

Ornithomimidae    
Deze familie was een gespecialiseerde afsplitsing van de coelurosauriŽrs. Ze waren ongeveer even groot en hadden dezelfde levenswijze als een moderne struisvogel. Ze leefden in het Midden-Krijt en kwamen voor in grote delen van Noord-Amerika en oostelijk AziŽ. De Ornithomimidae waren grote, langpotige sprinters. Ze trokken vermoedelijk in groepen over de open vlakten en verzorgden tijdens deze trektochten hun jongen. De tanden waren bij deze reptielen vervangen door een hoornige, snavelachtige bek, die gebruikt werd voor het vangen van kleine gewervelde dieren en insekten. Andere opvallende kenmerken waren de uitzonderlijk grote ogen en grote hersenen. Deze kenmerken duiden erop dat het efficiŽnte en intelligente jagers waren.

Ornithopoda    
Deze suborde binnen de Ornithischia omvat een grote groep tweevoetige dinosauriŽrs. Het waren mogelijk de voorouders van alle andere ornithischiŽrs. Wat betreft hun grootte, gewoonten en verspreiding was het een zeer diverse groep, qua bouw leken ze sterk op elkaar. Ze waren erg succesvol en leefden als groep ongeveer 148 miljoen jaar - tijdens de Jura en het Krijt.

Ornithosuchia    
Paleontologen beschouwen de Ornithosuchia als de dieren die tussen de viervoetige thecodonten en de tweevoetige dinosauriŽrs in staan. De voorouders van de dinosauriŽrs zijn vermoedelijk afkomstig uit de familie der Lagosuchidae. De Ornithosuchia stammen waarschijnlijk af van de, in het Laat-Perm levende Proterosuchia. Ze stierven uit aan het eind van de Trias, maar pas nadat de voorouders van de dinosauriŽrs ontstaan waren.

Osteichthyes    
In termen van talrijkheid en vormenrijkdom zijn de beenvissen of Osteichthyes het succesverhaal van de evolutie van de gewervelden dieren. Er komen nu in de zoet en zoute wateren van de wereld meer dan twintigduizend soorten voor. Beenvissen maken meer dan de helft van alle gewervelde dieren uit. Wat dit betreft zijn de beenvissen veel succesvoller dan hun gewervelde verwanten - de amfibieŽn, reptielen, vogels en zoogdieren - die het land op trokken. Alle beenvissen, zowel de fossiele als de moderne, hebben een volledig verbeend skelet. het verbeningsproces, waarbij het kraakbeen werd vervangen door been, trad vij plotseling in hun evolutie op. Het afzetten van een dunne laag been over het kraakbeen van de schedel en de ruggengraat (kaaklozen en kraakbeenvissen) was een tussenstap in deze ontwikkeling. Bij de stekelhaaien ging de verbening al een stap verder. Bij deze dieren vinden we in de huid grote been platen die net als bij de latere beenvissen, de kieuwbogen en de schoudergordel bedekten. Paleontologen leiden hieruit af dat de stekelhaaien de voorouders van de beenvissen waren. Zo'n vierhonderd miljoen jaar geleden ontstonden er twee hoofdgroepen of onderklassen. Ze worden onderscheiden op basis van de bouw van het beenskelet van de vinnen. De onderklasse straalvinnigen of Actinopterygii omvat de meerderheid van de moderne beenvissen, de echte beenvissen of Teleostei. Onder de spiervinnigen of Sarcopterygii vinden we de voorouders van de eerste landdieren.

Osteolepiformes    
Van de rhipidisten hadden de Osteolepiformes de langste levensduur. Ze verschenen in het Vroeg-Devoon en stierven pas 130 miljoen jaar later, in het Vroeg-Perm uit. Volgens veel paleontologen zijn de osteolepiformen de voorouders van de amfibieŽn.

Osteostraci    
De Osteostraci bestaan uit een grote groep van gepantserde, kaakloze vertebraten die leefden vanaf het Vroeg-Siluur (zo'n 430 miljoen jaar geleden) tot het Laat-Devoon (zo'n 370 miljoen jaar geleden). De meesten hebben een karakteristieke hoefvormige kop, dat bestaat uit een inwendig gelegen schedel die bedekt is met een pantser van tandbeen. Aan de oppervlakte van de huid liggen twee dicht bij elkaar gelegen ogen, met daartussen een pijnappelvormige opening en een sleutelgatvormige nasohypofysische opening. Deze opening is een naar buiten gelegen opening van het reukorgaan en de hypofysebuis (de hypofyse is een klier aan de onderkant van de hersenen). Bovendien zijn er een aantal bijzondere inzinkingen in de hersenpan, waarover losse plaatjes (tesserae) van tandbeen liggen, die worden beschouwd als of zintuigelijke organen om trillingen in het water gewaar te worden, of electrische organen. Er liggen twee inzinkingen langs de zijkant van de kop en ťťn ligt midden bovenop de kop. De kieuwopeningen (8 tot 10 openingen) bevinden zich aan de onderzijde van de kop. De Osteostraci hebben grote, kussenvormige, gepaarde vinnen. Er bevindt zich ook nog een bladvormige, horizontaal gehouden vin onder de staartvin (mogelijk een aanzet tot een aarsvin). De meesten zijn 20 tot 40 cm groot, maar sommige soorten zijn heel klein (zo'n 4 cm groot). De grootste soort is 1 meter groot. De Osteostraci worden ook wel de cephalaspiden (kopschildigen) genoemd. In tegenstelling tot de Heterostraci groeit het kopschild van deze dieren niet zodra het dier volwassen was.

Oviraptoridae    
De meeste leden van deze kleine familie theropoden waren tandeloos en leefden in AziŽ tijdens het Krijt. De Oviraptoridae hadden grote koppen en korte, grote bekken.

Pachycephalosauridae    
De pachycephalosauriŽrs hadden een hooggewelfde schedel, waardoor de dieren een bizar uiterlijk hadden. Ze hadden een hoog voorhoofd en een sterk verdikt schedeldak. Veel soorten hadden achterop en opzij van de kop allerlei benige uitgroeisels. Paleontologen veronderstellen dat de dieren een zelfde levenswijze hadden als moderne berggeiten en dat zij, evenals deze zoogdieren, in kudden leefden. De hiŽrarchie in de groep werd bepaald door kopstootgevechten. Met betrekking tot de andere kenmerken kwamen de pachycephalosauriŽrs overeen met andere ornithopoden. Het waren tweebenige planteneters met aan elke hand vijf vingers en aan elke voet drie tenen en een lange, zware staart. De groep, levend in het Laat-Krijt, was zeldzaam en is alleen bekend uit Noord-Amerika en Centraal-AziŽ. Er is een pachycephalosauriŽr (Yaverlandia) bekend uit het Vroeg-Krijt en dat is tegelijk ook de enige die in Europa (Zuid-Engeland) werd gevonden. Volgens veel paleontologen wijkt de anatomie van de pachycephalosauriŽrs voldoende af van andere ornithopoden om ze in een eigen familie onder te brengen.

Palaeonisciformes    
De Palaeonisciformes of oerstraalvinnigen zijn uitgestorven straalvinnigen (Actinopterygii) die leefden gedurende het Carboon tot en met het Trias (ca. 360-210 miljoen jaar geleden). Het waren de meest algemeen voorkomende vissen van hun tijd. En het zijn de primitiefste vissen met vinstralen en daarmee ook de voorouders van alle andere straalvinnigen. Ze waren relatief klein en leken qua uiterlijk veel op de latere vissen. Maar in vergelijking met de vissen van vandaag hadden ze eigenaardig uitziende kaken. Ze hadden een kraakbenen skelet. Hun huid werd bedekt door dikke, ruitvormige beenschubben, die meer tegen elkaar aanlagen dan dat ze elkaaroverlapten, zoals bij moderne vissen. De rug- en anaalvin waren driehoekig en de staartvin diep ingesneden en asymmetrisch. De staartwervels werden naar boven toe afgebogen. De Palaeonisciformes hadden vaak grote ogen, die ver naar voren lagen. De mondopening was erg breed en de bovenkaak was sterk verbonden met de volledig bepantserde wangen. Daarentegen waren de spieren aan onderkaak nogal zwak. Binnen de Palaeonisciformes was een grote verscheidenheid aan soorten. Er waren soorten met verlengde lichamen en kaken, soorten die zich op de bodem voedden met micro-organismen, hooglichamige, mariene rifvissen en koraaletende rifvissen. Bijna al deze soorten zijn tegenwoordig vervangen door moderne Teleostei.

Palaeotheriidae    
In tegenstelling tot de paarden was het aantal tenen bij de palaeotheriŽn niet gereduceerd. Alle palaeotheriŽn hadden vier tenen aan de voorpoten en drie tenen aan de achterpoten. Door de tenen te spreiden kon het die rop de venige bosbodem lopen. PalaeotheriŽn leefden vermoedelijk in kudden. Dit leidt men af uit het feit dat er vaak skeletten bij elkaar zijn gevonden. Sommige palaeotheriŽn werden zo groot als een neushoorn.

Palorchestidae    
Deze familie van grote Australische herbivoren leefde van het Mioceen tot het Pleistoceen. De dieren waren vergelijkbaar met de grondluiaards van andere continenten.

Pantodonta    
De Pantodonta is een orde van planteneters die vooral tijdens het Palaeoceen en het Eoceen, tussen zestig en veertig miljoen jaar geleden, goed gedijde. In AziŽ overleefden een aantal pantodonten tot in het Vroeg-Oligoceen (35 miljoen jaar geleden). Enkele soorten waren zo groot als een rat, maar de meeste waren groot en zwaar en sommige hadden de omvang van een neushoorn. Het waren semi-aquatische dieren die zich voedden met knollen, wortels en andere plantendelen.

Pantotheria    
De pantotheren zijn vermoedelijk de voorouders van alle zoogdieren met uizondering van de Monotremata. Ze hadden een gecompliceerd patroon van driehoekige knobbels op hun kiezen. Deze kiezen waren geschikt voor het verwerken van zowel insekten als vruchten.

Pantylidae    
De familie Pantylidae valt onder de orde Microsauria. Het zijn goed aan het land aangepaste dieren met een grote kop en een klein lichaam. De familie bestaat slechts uit ťťn geslacht: Pantylus.

Pareiasauridae    
De pareiasauriŽrs konden tot 3 meter lang worden en waren daarmee de grootste van de vroege, primitieve reptielen. Het waren zwaar gebouwde herbivoren met grote spreidstandige poten. Bij de latere vormen waren de poten meer recht onder het lichaam geplaats, waardoor de dieren meer rechtop konden lopen. De pareiasauriŽrs verschenen voor het eerst in zuidelijk Afrika, gedurende het Midden-Perm. Nog voordat zij aan het eind van het Perm uitstierven, hadden ze zich in grote aantallen in Europa en AziŽ gevestigd.

Paromomyidae    
De familie Paromomyidae bestond uit kleine spitsmuisachtige vertegenwoordigers van de primaten, die de vermoedelijke voorouders van de lemuren en de apen waren. Sommige paleontologen rekenen deze dieren echter niet tot de primaten, maar brengen ze onder in een eigen orde.

Pelomedusidae    
Deze waterschildpadden waren gedurend het Laat-Krijt en het Vroeg-Tertiair de talrijkste vertegenwoordigers van de halswenders. In de rivieren en meren van tropisch Afrika, Madagaskar en Zuid-Amerika komen nu nog negentien levende soorten voor.

Peltobatrachidae    
De Peltobatrachidae is een familie binnen de ordeTemnospondyli en omvat slechts ťťn geslacht: Peltobatrachus.

Pelycosauria    
De pelycosauriŽrs waren de eerste synapside of zoogdierachtige reptielen. Ze verschenen in het Laat-Carboon, ongeveer driehonderd miljoen jaar geleden, kort nadat de eerste reptielen het land hadden veroverd. De eerste pelycosauriŽrs waren kleine, hagedisachtige dieren, maar al gauw ontwikkelden ze zich tot talrijke zwaargebouwde vormen met krachtige kaken en tanden van verschillende vorm en grootte. De pelycosauriŽrs worden ondergebracht in vier families. De Ophiacodontidae was de eerste, primitiefste familie, waarvan de andere drie families afstammen. Vanuit evolutionair oogpunt bezien waren de carnivore sphenacodonten de belangrijkste groep, want zij waren de voorouders van de therapsiden en indirect van de zoogdieren. De derde familie omvatte de edaphosauriŽrs, grote planteneters, verwant aan de sphenacodonten, maar met een andere schedel en een ander gebit. De caseÔden, eveneens planteneters, vormden de laatste groep pelycosauriŽrs die zich ontwikkelde.

Perleidiformes    
De Perleidiformes zijn uitgestorven beenvissen (Osteichthyes) die leefden gedurende het Trias en de vroege Jura (zo'n 250-140 miljoen jaar geleden). Deze groep vissen is geŽvolueerd uit hun vooroudergroep de oerstraalvinnigen, dePalaeonisciformes. Ze hadden een torpedovormig lichaam, bedekt met ruitvormige beenschubben. Alle soorten waren zoetwaterroofvissen met sterke, met tanden bezette kaken, die door de verticale ophanging aan het schedelkapsel, ver konden worden geopend. Een opmerkelijk kenmerk van deze groep was de flexibiliteit van de rug- en aarsvinnen. Dit was een gevolg van een reductie van het aantal benige vinstralen, die aan de basis verbreed waren en op een lijn stonden met benige elementen in het lichaam. De beweeglijke vinnen zorgden samen met de symmetrische staart voor een grote wendbaarheid in het water.

Perrissodactyla    
De Perrissodactyla of onevenhoevigen ontstonden vermoedelijk in het Laat-Palaeoceen, ongeveer 55 miljoen jaar geleden. Er zijn drie suborden: de Ancylopoda, de Hippomorpha waartoe de paarden en de brontotheriŽn behoren en de Ceratomorpha, waartoe de tapirs en de neushoorns behoren.

Phlegethontiidae    
De Phlegethontiidae zijn een wijd verbreide familie binnen de orde AÔstopoda gedurende het Laat-Carboon en Vroeg-Perm. De AÔstopoda onderscheiden zich van elkaar in de bouw van de schedel. De Phlegethontiidae hebben een schedel die voorzien is van talrijke vensters gescheiden door smalle beenplaten, net als bij moderne slangen. De groep bestaat slechts uit ťťn geslacht: Phlegethontia.

Phocidae    
Robben of zeehonden zijn evenals de katten en de hondenCarnivora. Ze ontstonden in het Laat-Oligoceen, dertig miljoen jaar geleden, in Europese wateren en stammen waarschijnlijk af van een otterachtige voorouder zoals Potamotherium. De robben verspreidden zich al snel over de Arctische, Antarctische en Pacifische wateren en pasten zich aan een marien visetersbestaan aan. Voor de voortplanting moeten ze echter nog steeds het land op. De phociden worden veelal aangeduid als echte robben (of zeehonden) zonder oorschelp, om ze te onderscheiden van de otariiden, de oorrobben (zeeleeuwen en pelsrobben) met oorschelp. De phociden zijn tegenwoordig talrijker en vormenrijker dan de zeeleeuwen, pelsrobben en walrussen, maar er zijn van deze dieren slechts weinig fossielen gevonden.

Phylacotlaemata    
De Phylactolaemata of zoetwatermosdiertjes zijn kolonievormende diertjes met een uitwendig skelet (exoskelet) van hoornachtig of gelatineachtig materiaal. De diertjes zijn vaak groter dan bij de in zee levende mosdiertjes (buismosdiertjes en doosmosdiertjes). Zoetwatermosdiertjes leven uitsluitend in zoet water. Met hun hoefijzervormige tentakelkrans (lofofoor) filteren ze voedseldeeltjes uit het water. Ze ontstonden in het Tertiair.

Phytosauria    
PhytosauriŽrs waren zwaar gepantserde krokodilachtige, in het water levende carnivoren uit de late Trias. Het waren tot 5 meter grote, dominante roofdieren uit de rivieren van het noordelijk halfrond. De phytosauriŽrs en de echte krokodillen zijn een fraai voorbeeld van parallelle evolutie. Beide groepen stammen af van dezelfde voorouders en beide ontwikkelden onafhankelijk van elkaar dezelfde bouw in antwoord op een overeenkomstige levenswijze.

Pinnipedia    
De orde Carnivora omvat niet alleen de dominante roofdieren van het land, maar ook een succesvolle groep mariene carnivoren, de pinnipeden. Tot deze suborde behoren de moderne zeeleeuwen en pelsrobben (Otariidae), de walrussen (Odobenidae) en de echte robben (Phocidae). Bij al deze dieren zijn de poten vergroeid tot peddels of pinnae. De pinnipeden ontwikkelden zich in het Laat-Oligoceen, ongeveer dertig miljoen jaar geleden. Tot het Mioceen, tien miljoen jaar later, bleven ze beperkt tot het noordelijk halfrond. Aanvankelijk veronderstelde men dat de zeeleeuwen en de walrussen ontstaan waren uit beerachtige voorouders en de echte robben uit otterachtige dieren. Volgens de huidige opvattingen stammen alle pinnipeden echter af van de marterachtigen, waartoe ook de otter behoort.

Pisces    
Tot de Pisces, oftewel vissen rekent men alle vrij levende, koudbloedige, waterdieren die ademen met kieuwen en zwemmen met vinnen. Verder hebben al deze dieren een ruggengraat, al of niet van been, en een beschermd kapsel rond de hersenen, de schedel (cranium), net als alle andere leden van de Vertebrata. De geschiedenis van de Vertebrata gaat naar paleontologen aannemen, terug tot de zeeŽn in het Cambrium. Er leefden toen al kaak- en tandeloze, visachtige dieren met weke lichamen, die microscopisch kleine voedseldeeltjes uit het water opzogen. Fossielen van vissen vinden we echter pas nadat stevig, bestendig been was ontstaan Ė eerst als uitwendige schubben en later als inwendig skelet. Vanaf dat tijdstip kunnen paleontologen de ontwikkelingsgeschiedenis met enige zekerheid reconstrueren. De oudste benige schubben worden aagetroffen in gesteenten uit het Laat-Cambrium en de eerset herkenbare gewervelde vis wordt gevonden in afzettingen uit het Vroeg-Ordovicium in AustraliŽ: Arandaspis. Later evolueerde zich bij de vissen kaken en werd de ruggengraat bedekt met een dunne laag been. De eerste vissen met kaken en tanden waren de stekelhaaien (Acanthodii). De ruggengraat bestond daarvoor alleen nog maar uit een staaf van kraakbeen, het notochord. Vervolgens ontstonden de kraakbeenvissen (Chondrichthyes) en de beenvissen (Osteichthyes). En binnen de groep van de beenvissen bevond zich de gemeenschappelijke voorouder van de straalvinnigen (Actinopterygii) en de spiervinnigen (Sarcopterygii). En uiteindelijk ontstond uit een lid van de spiervinnigen de eerste amfibie. Men is het er alleen nog niet geheel over eens of dit een kwastvinnige (Osteolepiformes) of een longvis (Dipnoi) was. De ontwikkeling van de vissen was zodanig dat de dieren steeds beter aan hun omgeving raakten aangepast. Ze werden steeds handiger in het vinden, behandelen en kauwen van voedsel en ontwijken van roofdieren. De oudste vissen, de Ostracodermata, hadden een beschermend pantser bestaande uit een plaatvormig kopschild en dikke, vierkante schubben. Dit pantser maakte zwemmen echter tot een energieverslindende bezigheid. Veel van deze dieren leefden dan ook op de bodem. Bij deze vissen was de bovenste staartlob groter dan de onderste, waardoor het dier bij het zwemmen naar beneden werd gedrukt. Vervolgens kwamen er vissen die vinnen met stekels voor een betere stroomlijn hadden en een vergrote onderste staartlob voor het vangen van plankton dichtbij het wateroppervlak. En later de ontwikkeling van borst- en aarsvinnen voor meer stabiliteit en een symmetrie aan de staartvin die het mogelijk maakte om in rechte lijnen te zwemmen. Bij primitieve beenvissen waren er al luchtzakken aanwezig om de positie in het water te veranderen. Bij de straalvinnigen evolueerden dezen tot een boven de keel geplaatste zwemblaas en bij de longvissen tot longen.

Pistosauridae    
De enige vertegenwoordiger van de Pistosauridae verraadt de nauwe verwantschap tussen de nothosauriŽrs en de plesiosauriŽrs. Het skelet van Pistosaurus is typisch voor een nothosauriŽr maar de schedel vertoont vele plesiosauriŽrkenmerken.

Placodermi    
De klasse Placodermi omvat een bonte verzameling zwaar gepantserde vissen. Zowel de kop als een deel van de romp waren bij deze vissen omgeven door een pantser van in elkaar grijpende beenplaten. Het achterste deel van de romp en de staart waren kaal. De placodermen waren een afsplitsing van de evolutionaire tak die leidde naar de beenvissen. De groep was een betrekkelijk kort leven beschoren. Ze verschenen in het Siluur en stierven aan het eind van het Devoon al weer uit. Ze domineerden met ruim 200 geslachten zowel de zoet- als zoutwatermilieus. Veel placodermen met hun zware, van onderen afgeplatte lijven, leefden op de zeebodem. Soorten met een minder zwaar pantser waren meer actieve zwemmers. De kaken van alle placodermen waren uitgerust met brede tandplaten, geschikt voor het verwerken van prooien met harde schelpen. Sommige hadden lange benige vleugelvormige armen die aan weerszijden van het lichaam uitstaken. De klasse bestaat uit vier hoofdgroepen: Rhenanida, Ptycnodontida, Arthrodira en Antiarchi.

Placodontia    
De placodonten waren de minst gespecialiseerde zwemmers onder de mariene reptielen. Ze verschenen en verdwenen in de Trias en gedurende hun 35 miljoen jarige bestaan ontstonden er talrijke nieuwe vormen. Ze hebben zich echter nooit helemaal aan het leven in open zee aangepast. Ze waren beperkt tot de ondiepe kustwateren van de Thetyszee, die in die periode de landmassa's van Laurasia en Gondwanaland scheidde. Veel soorten hadden schildpadachtige pantsters die de rug en buik beschermden.

Placodontidae    
Deze groep van half-aquatische reptielen was zowel thuis op land langs de kustlijn als in de ondiepe wateren voor de kust. Beide gebieden waren rijk aan hun favoriete voedsel - schelpdieren - die met de brede tanden werden gekraakt.

Plagiosauridae    
De Plagiosauridae vormen een familie van amfibieŽn die leefden gedurende het hele Trias. Fossielen van deze dieren zijn gevonden in Europa en Groenland. Ze hadden brede, korte en wat afgeplatte lichamen. De schedel was ook afgeplat en breed en had een parabolische vorm. De oogholtes liggen halverwege in de schedel. Deze dieren bezaten 4 tot 6 tanden in hun verhemelte en ook een rij grote tanden aan de kaakranden was normaalgesproken aanwezig. Bovendien ook nog een daarbinnen liggende rij van kleinere tanden. De holtes in de wervels zijn zowel aan de voorzijde als aan de achterzijde bijna plat (platycoelus).

Plantae    
In dit rijk bevinden zich alle planten, zoals varens, mossen, coniferen, bloemplanten enz. Met meer dan 250 000 soorten is het de grootste groep op de Arthropoda (geleedpotigen) na. Ze ontstonden in het Ordovicium, maar waren tot het Laat-Siluur nog niet te vergelijken met de huidige vormen. Tegen het Devoon was er al een grote variŽteit van kleine plantjes tot enorme bomen. De eerste bloemen verschenen echter in tegen het einde van het Krijt.Ze worden allen gekenmerkt door de groene kleurstof chlorofyl, dat de zonne-energie opvangt voor de vorming van suikers (fotosynthese).

Plateosauridae    
Deze grote, zware prosauropoden met hun stevige poten waren een grotere uitgave van hun tijdgenoten de anchisauriŽrs. Hun omvang doet denken aan de enorme sauropoden waarvan de bloeiperiode in de Jura en het Krijt viel.

Plesiosauria    
De plesiosauriŽrs waren de grote, in de oceanen levende reptielen uit het MesozoÔcum. Sommige dieren bereikten een lengte van 14 meter. Als aanpassing aan het leven in het water waren hun poten veranderd in lange slanke zwempoten. Ze hadden tien in plaats van vijf kootjes per vinger of teen. Hun lichamen waren krachtig en buikig en de staart was kort. Aanvankelijk dachten paleontologen dat de plesiosauriŽrs met hun zwempoten door het water roeiden. De huidige theorie is dat ze hun zwempoten in grote regelmatige slagen op en neer bewogen en net als pinguÔns als het ware door het water vlogen. De zwempoten hadden ronde taps toelopende achterkanten. Als gevolg van deze gespecialiseerde zwempoten waren de beenderen van de schouder- en bekkengordel omgevormd tot brede massieve beenplaten, een bouw die uniek is voor de plesiosauriŽrs. De grote spieren waarmee de zwempoten bediend werden, waren aan deze platen aangehecht. De schouder- en heupgordel werden verbonden door een reeks grote buikribben. Dit maakte het korte lichaam veel stijver en was bovendien een solide ophanging voor de zwempoten. De buikribben beschermde de dieren ook als zij aan land moesten gaan om eieren te leggen. Ze verleenden de buik extra stijfheid, ook als zij zich aan land sleepten en moeizaam met de zwempoten over het strand kropen. Iets dergelijks zien we bij moderne zeeschildpadden, die op hun buik een pantser van beenschilden hebben. Er zijn tot op heden geen bewijzen gevonden voor de theorie dat de plesiosauriŽrs, evenals de vishagedissen of ichthyosauriŽrs, levende jongen ter wereld brachten. Het is derhalve waarschijnlijker dat zij eieren legden in zandnesten op het strand net zoals zeeschildpadden dat doen. De plesiosauriŽrs zullen zich op het land dank zij hun lange nekken nog veel onhandiger voortbewogen hebben hebben dan zeeschildpadden. Bovendien zullen ze erg kwetsbaar voor aanvallen van roofdieren zijn geweest. Ook de uit het ei gekropen jongen waren op hun toch naar de zee erg kwetsbaar. De afstamming van de plesiosauriŽrs is niet bekend. Paleontologen namen lange tijd aan dat ze ontstaan waren uit de nothosauriŽrs, maar de Pistosaurus uit de Midden-Trias lijkt inmiddels een waarschijnlijker kandidaat. Dit reptiel verenigt een aantal kenmerken van zowel de nothosauriŽrs als de plesiosauriŽrs. De plesiosauriŽrs worden onderverdeeld in twee superfamilies, die zich onderscheiden op grond van de lengte van de hals en het voedselgedrag. De echte plesiosauriŽrs hadden een lange hals en een kleine kop en leefden van kleine zeedieren. De pliosauriŽrs hadden een korte hals en een grote kop, waardoor ze in staat waren veel grotere prooien te verslinden. De beide groepen leefden dus weliswaar in dezelfde tijd en in dezelfde wateren, maar ze waren ecologisch van elkaar gescheiden. Zowel de plesiosauriŽrs als de pliosauriŽrs leefden tot aan het eind van het Krijt.

Plesiosauroidea    
De vroege vertegenwoordigers van deze groep waren de voorouders van alle andere plesiosauriŽrs. Ze verschenen in de vroege Jura en waren tot het einde van deze periode zeer talrijk. De familie van de elasmosauriŽrs leefden door tot aan het eind van het Krijt. De algemene trend bij de Plesiosauroidea is de ontwikkeling van langere halzen en zwempoten. Dit is extreem ontwikkeld bij de latere vertegenwoordigers van deze groep. Sommige soorten hadden een hals die langer was dan de rest van het lichaam en de staart bij elkaar, en hadden daarbij nog enorme zwempoten waarmee zij zich onstuitbaar door het water bewogen. De voorpoten van deze dieren waren altijd wat groter dan de achterpoten. De plesiosauroiden leefden van betrekkelijk kleine vissen en pijlinktvissen. Hun lange hals stelde hen in staat, op zoek naar voedsel, de kop boven het wateroppervlak uit te steken.

Pleurodira    
Van deze groep waterschildpadden komen tegenwoordig nog maar een paar vertegenwoordigers voor. Ze kenmerken zich doordat het intrekken de kop gebeurt door het opzij buigen van de korte nek. Dit is mogelijk door de aanwezigheid van een gewricht tussen de nekwervels. Deze zogenaamde halswenders stammen uit de Jura en waren talrijk in de rivieren en meren van de hele wereld. Er komen nu nog 49 soorten voor die behoren tot twee families - de Pelomedusidae (pelomedusa's) en de Chelidae (slangehalsschildpadden). Ze zijn beperkt tot het zoete water op de zuidelijke continenten.

Plicanoplitoidea    
De Plicanoplitoidea is een uitgestorven superfamilie binnen de Brachiopoda. Men is er niet zeker van onder welke substam en/of klasse deze groep te plaatsen. De leden van de groep leefden van het Laat-Siluur tot het Midden-Devoon. De groep bestaat uit twee families: de Notanopliidae en de Plicanoplitidae.

Pliohyracidae    
Alle uitgestorven vormen Vroeg-Tertiaire klipdasachtigen worden ondergebracht in deze familie. De latere vormen, inclusief de levende soorten, worden ondergebracht in de familie Procaviidae.

Pliosauroidea    
De eerste pliosauriŽrs verschenen in de Vroeg-Trias. Deze roofdieren uit de MesozoÔsche zeeŽn jaagden op grote zeedieren zoals haaien, grote pijlinktvissen, vishagedissen en zelfs op de verwante plesiosauroiden. Ze hadden een grote kop met grote tanden en kaken en krachtige kaakspieren. De koppen van sommige pliosauriŽrs waren meer dan 3 meter lang. Het lichaam was gestroomlijnd en gebouwd voor snelheid. De hals was kort en bestond bij sommige dieren slechts uit dertien wervels. Gedurende hun ontwikkeling werden de dieren steeds groter, zodat ze nog grotere prooien konden pakken.

Podokesauridae    
De eerste en meest primitieve groep kleine, carnivore theropoden waren de podokesauriŽrs (tegenwoordig echter ingedeeld in de infraorde Coelophysoidea onder de naam Coelophysidae). Deze familie leefde van de late Trias tot in de vroege Jura, zo'n vijftig miljoen jaar. De podokesauriŽrs verschilden weinig van hun voorouders, de thecodonten. Het waren snelle, actieve rovers die waarschijnlijk in groepen jaagden. Zij hadden lange halzen en renden op lange poten, de staart gestrekt voor het evenwicht. De armen waren korter dan de poten en werden gebruikt voor het grijpen van prooi en het naar de bek brengen van voedsel. De wigvormige kop had kaken die bezet waren met talrijke scherpe, puntige tanden.

Polyplacophora    
Keverslakken zijn weekdieren (Mollusca) met een ovaal, afgeplat lichaam. Ze dragen aan de bovenzijde van hun lichaam met 8 schelpstukjes, die onderling kunnen bewegen. Hieromheen ligt de mantelzoom, waarop stekels of schubben voorkomen. In de mantelholte aan de buikzijde zitten twee rijen kieuwen voor de ademhaling. Sommige soorten kunnen tot 12 jaar oud worden. Vrijwel alle soorten leven van algen, die ze met hun rasptong van de rotsen schrapen. Een enkele soort leeft van dierlijk voedsel. Ze leven meestal op stenen en schelpen in de getijzone of vlak daaronder. De eitjes worden in zee afgezet en daar bevrucht door het sperma dat door de mannelijke dieren in zee is geloosd. Keverslakken komen voor sinds het Ordovicium (ca. 500-440 miljoen jaar geleden). Er zijn ongeveer 600 recente en 150 fossiele soorten bekend.

Pongidae    
De pongiden of mensapen zijn semi-bipede dieren, dat wil zeggen ze lopen soms op vier en soms op twee voeten. Tegenwoordige zijn de mensapen beperkt tot Afrika en Zuidoost-AziŽ waar zij voorkomen met acht soorten, die in vier geslachten worden ondergebracht. Dit zijn de gibbons, twee soorten chimpansees, de gorilla en de orang-oetan. Ooit waren de pongiden veel talrijker en kwamen ze in een veel groter gebied voor. De vroegste mensapen dateren uit het Vroeg-Mioceen, rond 25 miljoen jaar geleden. In het verleden werd bijna elke nieuw ontdekte hominide in een apart geslacht ondergebracht. Deze werkwijze werd op den duur niet alleen verwarrend, het vertroebelde ook het zicht op de grote lijnen in de evolutie van de hominoiden. Tegenwoordig gaat men er vanuit dat veel mensapen, ondanks kleine verschillen in bouw, nauwverwant zijn en waarschijnlijk tot slechts enkele geslachten behoren. Immers, ook mensen vertonen onderling grote anatomische verschillen, maar behoren wel tot een dezelfde soort. Tot voor kort nam men aan dat de mensapen zich ongeveer vijftien tot twintig miljoen jaar geleden afsplitsten van de ontwikkelingslijn die leidde naar de voormensen (austrolopithecinen) en de mensen. Biochemisch onderzoek suggereert dat deze afsplitsing van veel jongere datum is. Er is diepgaand onderzoek verricht naar gemeenschappelijke immuniteitsreacties, en de bouw van het DNA en complexe eiwitten zoals hemoglobine in de rode bloedlichaampjes. Uit de snelheid waarmee spontane veranderingen in de bouw van deze moleculen optraden werd berekend dat de gibbons zich ongeveer tien miljoen jaar geleden afsplitsten en de orang-oetan kort hierna. De opmerkelijkste resulaten van deze studies spitsten zich toe op de relaties tussen de moderne mens enerzijds en chimpansees en gorilla's anderzijds. Hoewel de verschillen oppervlakkig gezien erg groot lijken, zijn de biochemische overeenkomsten zo groot dat deze mensapen niet veel langer dan vijf tot acht miljoen jaar geleden afgesplitst zijn. De uitkomsten van dit onderzoek worden nog steeds fel bediscussieerd, niet in de laatste plaats omdat er fossiele australopithecinen bekend zijn van 3,5 miljoen jaar en mogelijk zelfs van vier tot vijf miljoen jaar geleden. Deze australopithecinen lijken te veel op mensen en te weinig op mensapen om het product van slechts een paar jaar evolutie te kunnen zijn.

Porolepiformes    
De Porolepiformes behoorden tot de Rhipidistia en leefden alleen tijdens het Devoon. Deze vissen hadden de, voor de Sarcopterygii, zo kenmerkende gespierde vinnen en tevens een schedel die uit twee scharnierende helften bestond, waardoor de beet krachter was.

Primates    
De orde Primaten, afgeleid van het Latijnse woord primus dat 'eerst' betekent, omvat de lemuren, de apen en de mensen. De primaten ontstonden vermoedelijk in het Palaeoceen, ongeveer zestig miljoen jaar geleden, uit insectivore voorouders. De eerste primaten leken zoveel op insectivoren dat het trekken van een grens tussen beide groepen nogal subjectief is. Primaten hebben zich ontwikkeld in een bosrijke omgeving. Veel aanpassingen zijn terug te voeren op een dagactief leven in bomen. Het betrof onderling samenhangende aanpassingen van de vergrote, complexe hersenen, de zintuigen, de poten en de voeten/handen. Gaandeweg raakten de dieren steeds meer aangepast aan het lopen op twee voeten: de lichaamshouding werd meer rechtop, de voeten en achterpoten werden aangepast aan de voortbeweging en met de handen kon het dier grijpen en vasthouden. Evenwicht, tastzin en het grijpen waren sterk verbeterd en ook het zicht onderging twee belangrijke wijzingen: de dieren konden stereoscopisch en ook kleur zien. De voortplantingsstrategie werd aangepast aan het leven in een ongewis milieu. Het aantal nakomelingen werd kleiner en de zorg voor de jongen nam sterk toe. De primaten worden ondergebracht in twee suborden: de Prosimii en de Anthropoidea.


Proanura    
De orde Proanura vormt een groep lepospondylen, die een evolutionair tussenstadium vormen tussen de temnospondyle labyrinthodonten en de Anura. Ze bezitten al wel een schedel die sterk lijkt op die van een moderne kikker. Ze hadden een betrekkelijk kort lichaam, maar in vergelijking tot de Anura hadden ze meer wervels en was het lichaam dus nogal lang. Ook bezaten de Proanura nog een korte staart, die bij de moderne anuren volledig verloren is gegaan.

Proboscidea    
De Indische en Afrikaanse olifant zijn de enige, nog levende vertegenwoordigers van deze, eens wijdverbreide groep van de slurfdieren. De slurfdieren ontwikkelden zich uit een groep primitieve hoefdieren, die ook de klipdasachtigen en de zeekoeien heeft voortgebracht. Hun oorsprong lag in het Eoceen van Noord-Egypte. De eerste vertegenwoordigers waren dieren zo groot als een varken zonder slurf of slagtanden. In het Plioceen, vijftig miljoen jaar later, hadden de slurfdieren zich ontwikkeld tot ware reuzen (voorzien van slurf en slagtanden) die voorkwamen op alle continenten, uitgezonderd AustraliŽ en Antarctica. Tijdens hun evolutie werden deze dieren steeds groter, ontwikkelden zij zuilvormige poten om het enorme gewicht te torsen, kregen ze steeds langere slurfen en groter koppen werd de hals steeds korter. Ook werd het aantal tanden sterk gereduceerd. Bij veel vormen bleven, naast de ťťn of twee paar gespecialiseerde slagtanden, niet meer dan enkele maalkiezen over. De slurf en slagtanden waren aanvankelijk de aanpassingen van een groot, korthalzig dier om bij zijn voedsel te kunnen. Later kregen ze ook een rol bij de balts. In het Pleistoceen, ongeveer twee miljoen jaar geleden, maakten de mastodonten en mammoeten op de noordelijke continenten een bloeiperiode door. Ze stierven echter massaal uit als gevolg van het oprukkende ijs. In SiberiŽ zijn verschillende volkomen gave, diepgevroren dieren blootgelegd. Ondertussen ondergingen de olifantachtigen (Elephantidae) - de enige overlevende familie van deze orde - in de warmere, zuidelijke klimaten een snelle evolutie. De slurfdieren worden opgesplitst in vier suborden.

Procolophonidae    
De procolophoniden kwamen van het Laat-Perm tot het eind van de Trias overal ter wereld voor. De vroegste vertegenwoordigers waren kleine, licht gebouwde en snelle dieren, die leefden van insekten en andere ongewervelden welke met de vele, kleine, nagelvormige tanden werden vermalen. De latere vormen, vanaf ongeveer de Midden-Trias, waren groter met zeer verschillend gebit. De brede tanden bij de wangen suggereren dat zij planten aten. Op de zijkanten van de schedel groeiden vreemde, benige stekels, die waarschijnlijk dienden ter bescherming.

Procyonidae    
De procyoniden, waartoe de wasberen, de neusberen en de panda's behoren, verschenen voor het eerst in het Vroeg-Oligoceen, ongeveer 35 miljoen jaar geleden. Ze waren voorizen van knipkiezen, een typisch kenmerk van de echte carnivoren. Bij de moderne procyoniden zijn de knipkiezen verloren gegaan. Hun valse en echte keizen zijn aangepast aan een omnivoor dieet en hebben een maalfunctie. De reuzenpanda, Ailuropoda melanoleura, eet vrijwel uitsluitend jonge bamboescheuten. Dit dier is waarschijnlijk meer verwant met de beren dan met de wasberen.

Proganochelydia    
De proganochelyden waren op het land levende reptielen waarvan het lichaam omsloten werd door een pantser. Ze ontwikkelden zich in de Laat-Trias, zo'n 215 miljoen jaar geleden en zijn de vermoedelijke voorouders van de hedendaagse zeeschildpadden en aquatische landschildpadden. De afstamming van de proganochelyden zelf is echter onduidelijk. De meeste paleontologen geloven dat ze afstammen van een vroege groep anapside reptielen, mogelijk de captorhiniden.

Proganochelyidae    
De meeste primitieve zeeschildpadden behoren tot deze familie, die ontstond in de Laat-Trias. De mooiste fossiele skeletten zijn afkomstig uit West-Duitsland, maar er zijn er ook gevonden in Zuidoost-AziŽ, Noord-Amerika en zuidelijk Afrika. Vele karakteristieke kenmerken van de zeeschildpadden hadden zich in deze tijd al ontwikkeld.

Prosauropoda    
Net als de theropoden kunnen de sauropodomorfen worden ingedeeld naar grootte. De zeer grote vormen met lange staart en hals, worden ondergebracht in de infraorde Sauropoda. Hiervan is Apatosaurus de bekendste vertegenwoordiger. Het waren onschuldige, plantenetende reuzen die leefden in de Jura en het Krijt en vervolgens getroffen werden door hetzelfde lot als alle andere dinosauriŽrs - massaal uitsterven. De kleinere sauropodomorfen (sommigen bereikten nog een lengte van 9 meter) worden ondergebracht in de infraorde Prosauropoda. Zij leefden in de Trias, nog voor de Sauropoda. Tegenwoordig verwerpt men het vroegere idee dat de prosauropoden de voorouders zouden zijn van de sauropoden. Men beschouwt ze nu als een zijtak van de stamboom van de sauropoden. Een afsplitsing overigens die in de Vroeg-Jura geheel werd afgesneden. De prosauropoden zelf stammen vermoedelijk af van een theropode voorouder. De resten van twee mogelijke voorouder-kandidaten - Staurikosaurus en Herrerasaurus - zijn aangetroffen in Zuid-Amerika. Staurikosaurus is de enige bekende dinosauriŽr uit de Midden-Trias en was ongeveer 2 meter lang. Herrerasaurus leefde in de Laat-Trias en was 3 meter lang. Beide waren actieve, tweepotige vleeseters met een grote kop en een lange staart.

Proterosuchia    
De Proterosuchia waren de eerste thecodonten. Ze verschenen in Rusland in het Laat-Perm en verbreidden zich tijdens de Trias over de gehele wereld. Er waren aquatische, krokodilachtige dieren en landdieren bij. Aan het eind van de Trias stierven de Proterosuchia uit. Alle andere thecodonten hebben zich uit deze groep ontwikkeld.

Proterotheria    
De evolutie van lichtgebouwde, snelle renners werd mede in gang gezet door het ontstaan van grote, open graslanden. De proterotheriŽn leken op paarden en leefden van het Laat-Palaeoceen tot het Laat-Plioceen. De dieren hebben klaarblijkelijk dezelfde aanpassingsveranderingen ondergaan als de vroege paarden in Noord-Amerika. Gezien de bouw van het gebit is het niet waarschijnlijk dat deze dieren gras aten.

Protoceratopidae    
De familie Protoceratopidae omvat de vroege, primitieve gehoornde dinosauriŽrs. Ze ontwikkelden zich in het Laat-Krijt in AziŽ en verspreidden zich ook over westelijk Noord-Amerika. Evenals de psittacosauriden konden de protoceratopiden op twee poten lopen, maar ze deden dit vermoedelijk alleen bij gevaar. Grazen en rusten deden ze op vier poten. De protoceratopiden waren veel kleiner dan hun latere verwanten de ceratopiden. Ze hadden tanden in de bovenkaak - een primitief kenmerk dat bij de latere ceratopiden verloren ging - en geen of slechts zeer kleine hoorns op de kop. Wel was er een aanzet tot het nekschild dat zo kenmerkend was voor de latere ceratopiden.

Protorothyrididae    
De vertegenwoordigers van deze familie behoorden tot de allereerste reptielen. Ze verschenen voor het eerst in het Laat-Carboon en stierven vijftig miljoen jaar later, in het Midden-Perm, uit. De protorothyrididen waren de voorouders van talrijke gespecialiseerde groepen zoals de grote reptielen - de dinosauriŽrs, de vliegende pterosauriŽrs en de krokodillen.

Protostegidae    
De protostegiden behoorden tot de spectaculairste zeeschildpadden die ooit hebben geleefd. Ze zijn nu alle uitgestorven, maar in het Laat-Krijt waren ze erg talrijk. De protostegiden onderscheidden zich in twee hoofdkenmerken van de land- en rivierschildpadden. In de eerste plaats hadden ze een veel lichter pantser. Omdat er in het water minder roofdieren voorkwamen, hadden ze niet zo'n behoefte aan een zwaar pantser. Door het lichtere pantser waren ze ook wendbaarder. In de tweede plaats waren de tenen van voor- en achterpoten sterk verlengd en veranderd in peddels. Tegenwoordig leven er nog maar zeven soorten zeeschildpadden, die ondergebracht zijn in twee families. Al deze soorten worden door de vernietiging van hun broedstranden door de mens, bedreigd. De soepschildpad en de lederschildpad, beide voorkomend in warme zeeŽn, zijn de bekendste soorten. Geen van de zeeschildpadden kan bij gevaar poten en kop in het pantser terugtrekken.

Protosuchia    
De Protosuchia waren, net als de Sphenosuchia, langpotige landbewoners, maar met een krokodilachtiger schedel. Tijdens de vroege Jura kwamen ze overal ter wereld voor. Sommige vertegenwoordigers hadden een tweede verhemelte, maar aangezien er geen beenresten zijn gevonden, bestond dit waarschijnlijk uit een vlezig vlies.

Prototheria    
De onderklasse Prototheria omvat de primitiefste zoogdieren. Ze ontwikkelden zich tijdens de Laat-Trias, ongeveer 220 miljoen jaar geleden, uit de cynodonten, een groep synapside reptielen. De enige nog levende Prototheria - de mierenegels en het vogelbekdier uit AustralaziŽ - behoren tot de Monotremata. De jongen van deze eierleggende zoogdieren worden na het uitkomen door de moeder gezoogd.

Psittacosauridae    
De Psittacosauridae was een zeldzame groep dinosauriŽrs die alleen zijn gevonden in Oost-AziŽ in afzettingen uit het Vroeg-Krijt. De schedels van deze dieren vertonen talrijke kenmerken die er op wijzen dat zij de voorouders van de gehoornde dinosauriŽrs waren. Het lichaam van deze dieren leek qua bouw echter op dat van de hypsilophodonten, waarvan zij waarschijnlijk afstammen. De Psittacosauridae konden net als de hypsilophodonten op twee poten rennen. Men veronderstelt dat ook de vroege Ceratopia tweevoetig waren en dat de viervoetige houding pas later in hun ontwikkeling ontstaan is.

Pteraspidomorphi    
De Pteraspidomorphi is een groep van fossiele kaakloze vissen die leefden van het Vroeg-Ordovicium tot het Laat-Devoon (ongeveer van 470 tot 30 miljoen jaar geleden). Ze bezitten een uitwendig rugpantser die de kop bedekt, en een geschubde staart. Ze hebben geen andere vinnen dan een staartvin. Hun koppantser, dat altijd bestaat uit grote rug- en buikplaten, is normaal gesproken langwerpig en geeft het dier een beetje het uiterlijk van een kikkervisje. Op de rugplaten bevinden zich eikenbladvormige knobbeltjes. Pteraspidomorphen zijn een lange tijd beschouwd als nauwe verwanten - of zelfs als voorouders - van de gewervelden met kaken, maar de weinige eigenschappen die ze delen met deze dieren zijn tegenwoordig beschouwd als primitief voor alle vertebraten. De meeste pteraspidomorphen waren zeedieren, maar leefden dicht aan de kust, in lagunes en delta's. Van sommige groepen wordt gedacht dat ze in zoetwater zwommen. Het waren bodembewonders, wat te zien is aan sporen van schuring op de buikpantsers van hun kopschild. De Pteraspidomorphi omvat vijf groepen: de Arandaspida, Astraspida, Eriptychiida, de Heterostraci en de Thelodontida. Hun rugplaten bestaan uit celloos been, maar men denkt dat dit de primitieve vorm is van de ruggenwervel van alle gewervelden. De pteraspidomorphen bezitten verkalkt endoskelet (inwendig skelet), behalve de Eriptychiida en mogelijk de Arandaspida, die sporen van verkalkt kaakbeen laten zien. In het algemeen bezitten de Pteraspidomorpha een naar beide kanten toelopend rugpantser, het een koppantser dat bijna zo lang is als het lichaam. De staart is meestal kussen- of waaiervormig. De bek is bepantserd met verlengde rugplaten die kunnen oprekken als de bek wordt geopend, en dienen als een soort schep. De binnenkant van de rugplaten laten aan de binnenkant indrukken zien van de kieuwen, de hersenen en gepaarde neuscapsules.

Pterodactyloidea    
De pterodactylen zijn de bekendste vliegende reptielen. Het was al een gevestigde groep toen hun verwanten, de rhamphorhynchoiden, in de late Jura uitstierven. De pterodactylen kwamen ook nog voor in het Krijt, maar slechts een paar vormen haalden het eind van die periode. Deze groep pterosauriŽrs had in grote lijnen dezelfde bouw als de oudere rhamphorhynchoiden. De pterodactylen hadden echter een kortere staart, een langere nek en een langgerekte schedel. Tot deze groep behoren de kleinste en de grootste pterosauriŽrs.

Pterosauria    
De eerste gewervelde dieren die hiet luchtruim kozen waren de pterosauriŽrs. De vlieghuid van deze reptielen was vastgehecht aan de sterk verlengde vierde vinger van de hand en aan de dij van de poten. Ze ontstonden in de late Trias, ongeveer zeventig miljoen jaar voor de eerste vogel Archaeopteryx de lucht in ging. Zij floreerden vooral tijdens de Jura en het vroege Krijt en er ontstonden talrijke vormen waaronder de grootste vliegende dieren aller tijden. Hierna zette het verval in en aan het eind van het MesozoÔcum stierven de laatste vertegenwoordigers uit. Resten van pterosauriŽrs zijn, behalve op Antarctica, overal ter wereld aangetroffen, het meest in mariene afzettingen. De pterosauriŽrs worden onderverdeeld in twee suborden. De oudste en primitiefste dieren behoren tot de Rhamphorhynchoidea, de modernere, bekendere vliegende reptielen worden ondergebracht bij de Pterodactyloidea.

Ptilodontidae    
De familie Ptilodontidae omvatte dieren met een lange grijpstaart, die gebruikt werd om boomtakken vast te grijpen. Ook de voeten waren aangepast aan het klimmen. Evenals moderne eekhoorns konden de ptilodonten hun tenen dankzij een mobiel enkelgewricht, naar achteren richten. Hierdoor waren zij instaat met de kop naar voren over een boomstam naar beneden te lopen. De tenen, uitgerust met scherpe klauwen, konden bovendien wijd gespreid worden. De resten van deze dieren zijn vooral gevonden in Noord-Amerika.

Ptyctodontida    
De naam Ptyctodontida betekend zoveel als "gesnavelde tand" en verwijst naar de sterke, voedselverpletterende tandplaten in de kaken. Deze vissen hadden een kort, ringvormig rompschild en een wat teruggedrongen kopschild aan de achterzijde van de kop. De huidplaten waren wat sponsachtig en bedekt met huid, behalve bij de vroegste vormen die platen van tandbeen bezaten. Ook hadden ze lange lichamen met een zweepachtige staart en een grote kop met grote ogen. Hiermee leken ze veel op de zeekatten van tegenwoordig. Deze zeebewonende vissen waren speciaal aangepast om zich te voeden met harde schaaldieren aan de bodem van de zee. Ptyctodontida waren de enige placodermen, waaraan te zien is dat ze seksueel dimorfisme vertonen. De mannetjes bezaten namelijk penisachtige copulatieorganen. De Ptyctodontida leefden gedurende het Laat-Devoon.

Pycnodontiformes    
De Pycnodontiformes vormen een orde binnen de straalvinnigen (Actinopterygii). Ze kwamen op aarde voor vanaf het Laat-Trias tot aan het Eoceen, maar waren het meest algemeen te vinden gedurende de Jura. De dieren worden gekenmerkt door hoge, smalle lichamen die vanaf de zijkant een circelvormige omtrek hadden. De Pycnodontiformes hadden een naar beneden gerichte snavelbek en een smalle mondopening met een overvloed aan tanden. Het is waarschijnlijk dat deze dieren waren aangepast aan een dieet van koraaldiertjes uit de warme JurazeeŽn.

Pyrotheria    
Veel Zuidameriaanse zoogdieren tonen krasse staaltjes van parallelle ontwikkeling of convergente evolutie. Zo waren de pyrotheriŽn de Zuidamerikaanse tegenhangers van de olifanten. De afstamming van deze dieren is niet bekend.

Pyrotheriidae    
De pyrotheriiden leefden van het Eoceen tot het Vroeg-Oligoceen. Hun verspreidingsgebied liep van ArgentiniŽ tot BraziliŽ, Venezuela en Colombia.

Ratites    
Tot de superorde Ratites behoren de grote, langpotige loopvogels. Deze vogels kenmerken zich door kleine vleugels en een borstbeen zonder kam. De Ratites verschenen voor het eerst in het Krijt of het Vroeg-Tertiair. Op de verschillende continenten ontwikkelden zich verschillende vormen. Heden ten dage worden ze vertegenwoordigd door de emoe's en kasuarissen van AustraliŽ en Nieuw-Zeeland, de nandoe's van Zuid-Amerika, de kiwi's uit Nieuw-Zeeland en de struisvogels van Afrika (en vroeger ook EuraziŽ). Twee spectaculaire groepen zijn betrekkelijk recent uitgestorven - de Madagascarstruisvogels of olifantsvogels en de moa's van Nieuw-Zeeland.

Rauisuchia    
Deze groep krokodilachtige thecodonten bestond uit grote, op het land levende carnivoren, waarvan sommige een lengte van 6 meter bereikten. Ze ontstonden in de Midden-Trias en leefden tot het eind van deze periode. Resten van deze dieren zijn gevonden in Noord- en Zuid-Amerika, Oost-Afrika en West-Europa.

Reptilia    
Een gewerveld dier moet een bepaalde grootte hebben wil het op land kunnen overleven. Een te klein dier zou te iele poten hebben om het gewricht te kunnen dragen en het zou snel alle lichaamsvocht kwijtraken en verdrogen. AmfibieŽn losten dit probleem op door de ontwikkeling in het water door te maken en pas uit het water te komen wanneer ze volwassen waren en op het land verder te groeien tot volle grootte. De Reptilia, oftewel de reptielen hebben een andere oplossing voor dit probleem bedacht. Zij introduceerden een geschaald ei. Hierdoor waren de reptielen in staat de zompige woonomgeving van de amfibieŽn te verlaten en zich volledig op het landleven toe te leggen. Ook waren ze niet langer gebonden aan een aquatisch larvaal stadium. Een reptielenei is bijna gelijk aan een vogelei. De schaal is alleen niet zo hard als bij vogels maar leerachtig en bovendien is het eiwit minder waterig. De schaal heeft twee hoofdfuncties. Ze beschermt het zich in het ei ontwikkelde embryo tegen uitdroging en tegen rovers. Veilig opgeborgen in het ie kan het zich ontwikkelende reptiel een langere groeiperode veroorloven. Het komt pas te voorschijn op het moment dat het dier werkelijk in staat is op het land te overleven. De eierschaal sluit het zich ontwikkelende reptiel volledig van de buitenwereld af. Het embryo moet daarom gedurende de gehele ontwikkeling zelf in de behoeften kunnen voorzien. Dit kan dank zij een voedselbron, de dooier, en een aantal ingenieuze vliezen, amnion, allantois en chorion, die van het ei een soort overlevingscapsule maken. De eieren van alle moderne reptielen hebben exact hetzelfde membranenpatroon en biologen zijn er zeker van dat dit ingewikkelde 'amniotische' ei zich binnen ťťn enkele vooroudergroep ontwikkeld heeft. Alle latere vertebraten stammen van deze ene groep af. Om de verovering van het land tot een succes te maken moesten er nog twee vernieuwingen worden doorgevoerd. In de eerste plaats moesten de reptielen zich beschermen tegen uitdroging na uit het ei te zijn gekropen. Dit werd bereikt door de ontwikkeling van een hoornlaag die hun schuben overdekte. De huid werd ondoorlaatbaar voor water. In de tweede plaats moesten de reptielen overschakelen op een andere ademhaling teneinde hun activiteit te kunnen opvoeren. AmfibieŽn ventileren hun longen door middel van een keelpomp, die lucht de longen in stuwt. De reptielen ontwikkelden een ieuw systeem waarbij de borstkas uitzet en weer inkrimpt. Hierdoor wordt lucht in de longen gezogen en vervolgens weer uitgeperst. De ademhalingscapaciteit werd nu uitsluitend beperkt door het volume van de longen en niet langer door het volume van de mond. Maar zelfs met deze aanpassingen bleven de reptielen in ťťn opzicht beperkt - ze waren net als de amfibieŽn koudbloedig. Al hun energie ontlenen ze aan de zonnewarmte. Zodra het weer of klimaat kouder wordt daalt hun lichaamstemperatuur en worden ze inactief. De fysiologie van reptielen is daarom afgestemd op een lage, wisselende lichaamstemperatuur; ze zijn niet tot langdurige inspanningen in staat. Paleontologen zijn tegenwoordig echter verwikkeld in een discussie over de koud- of warmbloedigheid van de dinosauriŽrs. Net als hun voorouders, de amfibieŽn en voor hen de vissen, bewegen ook de reptielen zich voort door zijwaartse buigingen van het lichaam. De grootte van de stap wordt bepaald door de afstand tussen de ellebogen en de knieŽn. Om enig tegenwicht te geven aan de zijwaarste krachten die deze beweging opwekt, staaan de voeten ten opzichte van de as van het lichaam onder een flauwe hoek. De tenen zijn ongelijk van lengte zodat ze op hetzelfde moment de grond raken of verlaten en het dier dus in evenwicht blijft. Het resultaat van deze structurele en fysiologische aanpassingen was, dat de reptielen met succes het land veroverden. Het hoogtepunt van hun ontwikkeling werd bereikt met de dinosauriŽrs, die ongekende en ongeŽvenaarde afmetingen bereikten. De reptielen ontstonden ongeveer in het Laat-Carboon. Het oudste echte reptiel dat bekend is, is Hylonomus. Hoewel er een vondst uit het Vroeg-Carboon is gedaan van Westlothiana, die bij nader inzien een aantal kenmerken bezat om net geen volledig hagedis te zijn, maar eerder een primitief tetrapode. De eerste reptielen verschenen dus ongeveer zo'n 60 miljoen jaar na de eerste amfibie. En zij kwamen net als de primitieve amfibieŽn aanvankelijk alleen voor op het Euramerikaanse continent. De verwantschappen tussen de diverse groepen reptielen worden duidlijk door het patroon van openingen in de schedel, de bouw van de enkels en de belangrijkste bloedvaten. Bij sommige reptielen heeft een van de enkelbeenderen de vorm van een haak en voorzient in een extra aanhechtingspunt voor de voetspieren. Dit typen enkel wordt aangetroffen bij alle hagedissen, bij de Chelonia (schildpadden) en bij de grote reptielen - de krokodillen, dinosauriŽrs en verwanten . De levende vertegenwoordigers van deze groepen hebben een ongewone rangschikking van de belangrijkste bloedvaten rond het hart. Deze bloedvaten zijn spiraalsgwijs om elkaar gedraaid.

Rhamphorhynchoidea    
Al in de Laat-Trias, ongeveer 190 miljoen jaar geleden, hadden zich de eerste, behendige vliegende pterosauriŽrs ontwikkeld. Ze floreerden tot het eind Jura, waarna zij uitstierven.

Rhenanida    
De Orde Rhenanida is een groep binnen de Placodermi en leefden gedurende het Devoon. De Rhenanida worden gekenmerkt door een wat teruggedrongen bortstukpantser, hun van bovenaf afgeplatte lichaam en vergrote buikvinnen, die hetzelfde zijn als de buikvinnen van de nog bestaande roggen. Het lichaam is bedekt met kleine plaatjes (tesserae), die de ruimtes opvullen tussen de grote platen van het huidpantser of zelfs die platen geheel bedekken. Het kaakpantser is afgeplat, maar ze zijn bedekt met zeer kleine tandjes uit de mond om het dier van een vervangbaar schuuroppervlak te voorzien. Rhenaniden zijn bekend uit mariene omgevingen en volgden waarschijnlijk een rogachtige, bodembewonende levensschijl. Misschien konden ze zelfs een beetje zwemmen door met hun vergrote buikvinnen golfachtige bewegingen te maken, zoals roggen en vleten tegenwoordig doen.

Rhinocerotidae    
De naam Rhinoceros of neushoorn (wat ook de letterlijke vertaling van uit het Grieks is) is een verwijzing naar de ťťn of meerdere hoorns die de dieren uit deze familie op hun neus dragen. In tegenstelling tot bij de Artiodactylen heeft de hoorn van de Rhinocerotidae geen benige kern, maar is hij samengesteld uit samengedrukt haar. De hoorn heeft ogenschijnlijke medische eigenschappen en wordt gebruikt voor het maken van traditionele ornamenten. Om die reden is de neushoorn bejaagd tot bijna uitstervens toe. De Rhinocerotidae verschenen in het Eoceen en kwamen waarschijnlijk voort uit tapirachtige voorouders. Met het snel koloniseren van EuraziŽ en Noord-Amerika, om daarna Afrika binnen te gaan in het Mioceen, werden de neushoorns een zeer succesvolle groep. Er zijn ten minste dertig fossiele geslachten bekend. Huidige neushoorns zijn beperkt tot het tropische en subtropische klimaat, maar er hebben ook soorten bestaan die aangepast waren aan koudere klimaten, zoals de wolharige neushoorn uit het Pleistoceen. Tegenwoordig treft men neushoorns aan in Zuid- en Oost-Afrika en in Zuidoost-AziŽ. Afrikaanse soorten neigen ernaar een groter leefgebied te bezitten dan de bosbewonende Aziatische soorten. De huid is ruw en dik en vouwt zich tot plaatachtige vormen. Bij de meeste soorten is de huid amper behaard. De neusbeenderen van de schedel zijn naar voren toe verlengd om de (voorste) hoorn te kunnen dragen. De achterste hoorn, mocht de soort deze bezitten, bevindt zich op de voorhoofdsbeenderen.

Rhipidistia    
De Rhipidistia bestaat uit een gemengde groep van lobvinnige vissen. De groep werd vroeger beschouwd als een subgroep van de Crossopterygii (kwastvinnigen), bestaand uit de Porolepiformes en de Osteolepiformes. Maar toen men ontdekte dat de voorouder van alle tetrapoden zich binnen deze groep bevindt, wordt de groep nu als hoogste vooroudergroep van de longvissen en de leeuw gezien. Deze groep bevat namelijk naast de voorouders van de eerste tetrapoden, ook de voorouders van de Actinistia en de longvissen (Dipnoi). De vissen leefden voornamelijk in het Devoon, maar een paar soorten kwamen ook in het Carboon voor. De kenmerken van de Rhipidistia die overeenkomsten vertonen met die van de eerste tetrapoden zijn te zien in de de rangschikking van de beenderen in de schedel en in de vinlobben. Veel details van het skelet bij de borst- en buikvinnen komen erg overeen met de voor- en achterpoten van de tetrapoden.

Rhynchonelliformea    
De Rhynchonelliformea is een van de drie grote substammen binnen de Brachiopoda. Met 30 soorten binnen 22 geslachten is dit de meest algemene groep die men hedendaags aantreft. De groep bestaat vooral uit gelede dieren maar daarnaast ook uit een paar ongelede dieren. Ze bezitten een blinde darm en dus geen anus. De schaal bestaat uit kalk en de harde stukken uit calciumfosfaat. Ze hebben wat complexe scharnieren tussen de twee kleppen. In tegenstelling tot de Linguliformea zijn ze vastzittend en dus niet in staat om te bewegen.Ze worden zelden aangetroffen in tropische wateren maar zijn algemener in diepere matige zeeŽn en poolzeeŽn. De Rhynchonelliformea uit het PalaeozoÔcum lijken het beter gedaan te hebben in de tropische zeeŽn. De huidige Rhynchonelliden staan bekend om hun grote terrein aan dieptes waarin ze leven. De PalaeozoÔsche vormen waren meer gespecialiseerd in een bepaalde dieptelaag.

Rodentia    
De oudste knaagdieren die we kennen leken op kleine eekhoorns. Ze verschenen voor het eerst in Noord-Amerika tijdens het Laat-Paleoceen, ongeveer zestig miljoen jaar geleden. Al spoedig ontstonden er talrijke vormen die de niches van de geleidelijk verdwijnende multituberculaten overnamen. Uiteindelijk ontwikkelden zij zich tot verschillende hoofdgroepen, onder andere de eekhoorns, bevers, ratten, cavia's en stekelvarkens. Tegenwoordig is de orde Rodentia de zoogdierorde met veruit de meeste vertegenwoordigers. Er leven zo'n 35 families met in totaal 1600 soorten, ongeveer veertig procent van alle levende zoogdiersoorten. Verder zijn er nog ongeveer evenveel fossiele geslachten en twaalf families bekend. Knaagdieren zijn een uitzonderlijk succesvolle groep, die vertegenwoordigers heeft op alle continenten behalve Antarctica. Ze zijn thuis in zeer uiteenlopende habitat - van tropische wouden tot arctische toendra's en van hete woestijnen tot bergtoppen. Ze zijn er niet in geslaagd de zee te veroveren, maar er is wel een aantal zoetwaterbewoners. Nogal wat knaagdieren, in het bijzonder de eekhoorns, leven in bomen. De meeste knaagdieren zijn echter bodembewoners. Door hun veelzijdigheid en enorme reproductie hebben de knaagdieren ook hun stempel gedrukt op de menselijke geschiedenis. Sommige soorten brachten veel schade toe aan landbouwgewassen of waren de verspreiders van ziekten. Het meest berucht zijn de ratten die vermoedelijk meer doden op hun geweten hebben dan er slachtoffers vielen in alle oorlogen samen. In de Middeleeuwen stierven er 25 miljoen mensen - een kwart van de totale Europese bevolking - aan de pest, een ziekte die werd overgebracht door de zwarte rat, Rattus rattus. Veel kennis van de evolutie van knaagdieren is afkomstig van de studie van minuscule tanden. Knaagdieren waren talrijk gedurende het gehele Tertiair en hun tanden kunnen worden gebruikt voor het dateren en correleren van continentale afzettingen. Fossielen schelpen van invertebraten worden voor hetzelfde doel gebruikt bij mariene afzettingen. Het belangrijkste kenmerk van knaagdieren is hun knaagtanden, ťťn paar in de bovenkaak en ťťn paar in de onderkaak. Het zijn grote, gekromde snijtanden die sterk slijten, maar permanent doorgroeien dank zij de open wortels in de kaak en de schedel. De vroege vertegenwoordigers van deze groep hadden cilindrische knaagtanden die volledig met glazuur bedekt waren. Bij de latere vormen zijn de tanden meer driehoekig en alleen maar aan de voorzijde bedekt met glazuur. Omdat de achterzijde van de tanden sneller wegslijt, worden de randen gaandeweg scherper. Knaagdieren hebben geen hoektanden en soms ontbreken ook de eerste valse kiezen. Het gevolg is een grote opening - diasteem - tussen de voortanden en de kiezen. Deze laatste zijn zeer geschikt voor het vermalen van voedsel. De meeste knaagdieren zijn klein, de kleinste soorten wegen ongeveer 5 gram (dwergmuizen). Eer zijn echter uitzonderingen. Het grootste, levende knaagdier is de 50 kilogram zware capybara of waterzwijn uit Zuid-Amerika, maar er zijn fossiele vormen bekend zo groot als neushoorns. Een interessant geval van de ontwikkeling van reuzenvormen zien we bij de reusachtige, Pleistocene slaapmuisachtige, Leithia, die een aantal eilanden in de Middellandse Zee, onder andere Malta en SardiniŽ, bewoonde. Behalve door zijn grootte - zonder staart 25 cm lang - was Leithia niet te onderscheiden van de moderne slaapmuisachtige Muscardinus (hazelmuis). De bewoners van de Middellandse Zee-eilanden die door de stijgende zeespiegel - een gevolg van veranderende temperaturen tijdens het Pleistoceen - geÔsoleerd raakten, reageerden hierop onder andere door een verandering van lichaamsgrootte. Bij grote dieren zoals nijlpaarden en olifanten ontwikkelden zich dwergvormen, die een veel efficiŽnter gebruik van de beperkte voedselvoorraden konden maken. Bij kleine dieren zoals de knaagdieren ontwikkelen zich echter juist reuzenvormen (Leithia). Door de afwezigheid van potentiŽle roofdieren was het niet langer noodzakelijk dat deze dieren in kleine holten en spleten konden wegvluchten, zoals hun soortgenoten op het vasteland. Volgens de huidige classificatie worden de knaagdieren, op grond van de rangschikking van de kaakbeenderen en kaakmusculatuur, ondergebracht in twee suborden: Sciurognathi en Hystricognathi.

Rostroconchia    
De Rostroconchia of scharnierloze tweekleppigen zijn uitgestorven weekdieren (Mollusca) die erg op de tweekleppigen van tegenwoordig lijken. Ze leefden van het Cambrium tot en met het Perm (ca. 540-250 miljoen jaar geleden). De Rostroconchia werder eerst ook als lid van de tweekleppigen (Bivalvia) beschouwd. In tegenstelling tot de tweekleppigen, bestond de schelp van de scharnierloze tweekleppigen uit ťťn stuk. Deze omsloot de mantel en een gespierde voet die via een opening in de schelp tevoorschijn kon komen. Ze leefden waarschijnlijk halfbegraven in het sediment van de zeebodem. Momenteel zijn er zo'n 40 geslachten en een groter aantal aan soorten beschreven. De meeste Rostroconchia zijn klein, vaak kleiner dan 2 cm groot. Maar in het midden van de Verenigde Staten worden er in kalksteen soorten van wel 15 cm grootte aangetroffen.