Acanthodiformes    
De Orde Acanthodiformes is een groep mariene stekelhaaien (Acanthodii). Aangezien deze dieren in rood zandsteen worden aangetroffen, neemt men aan dat het zoetwatervissen zijn. De dieren ontstonden in het Laat-Devoon en leefden voort tot het Vroeg-Perm. De dieren hebben ťťn grote kieuwplaat en goed ontwikkelde kieuwfilters, zodat geen vaste stoffen de kieuwen in kunnen komen. Ook bezaten ze en groot oog en hebben ze geen tanden.
Ze hebben ťťn rugvin. Tussen de borstvinnen en de buikvinnen bevinden zich geen stekels, in tegenstelling tot de Climatiiformes. Sommigen van de buikvinnen zijn verlengd.

Acanthodii    
De Acanthodii of 'stekelhaaien' waren de oudst bekende vertebraten met kaken. Er wordt aangenomen dat kaken zich hebben ontwikkeld uit de eerste kieuwboog van voorouders wiens kieuwbogen bestonden uit scharnierende stukjes kraakbeen. De stekelhaaien (die overigens niet aan de haaien verwant zijn) hadden over het algemeen een gestroomlijnd, haaiachtig lichaam met gepaarde vinen en een omhoog gerichte staart. Alle vinnen, behalve de staartvin, waren verstevigd met sterke, benige stekels. De eerste stekelhaaien verschenen veel eerder dan de haaien. Ze ontwikkelde zich in zee aan het begin van het Siluur, zo'n vijftig miljoen jaar voor de eerste haai op het toneel verscheen. De bloeiperiode van de stekelhaaien viel nadat ze hetzoete water hadden gekoloniseerd. Ze waren talrijk in de rivieren en meren uit het Devoon en in de moerassen van het Carboon. Met de opkomst van de eerste primitieve beenvissen werd de concurrentie voor de stekelhaaien te groot en aan het begin van het Perm waren ze uitgestorven. Veel paleontologen geloven dat de stekelhaaien nauw verwant zijn aan de voorouders van de beenvissen. Het skelet van deze vissen bestond weliswaar nog uit kraakbeen, maar in de huid waren talrijke ruitvormige schubben van benig materiaal aanwezig. Bij sommige stekelhaaien waren de schubben sterk vergroot en vormden een benige bedekking op de kop en de schoudergordel. Bij anderen vormde zich een benige klep over de kieuwopeningen (het kieuwdeksel of operculum van de latere beenvissen).

Acanthostegidae    
De familie Acanthostegidae valt onder de orde Ichthyostegalia en ontstond in het Laat-Devoon. Binnen deze groep bevindt zich ťťn van de vroegste amfibieŽn. Deze familie omvat slechts ťťn soort: Acanthostega.

Acreodi    
Toen de plantenetende zoogdieren (de multituberculaten uitgezonderd) aan het begin van het Palaeoceen een eerste bloeiperiode doormaakten, hadden zij nog geen roofvijanden. Zestig miljoen jaar geleden, in het Midden-Palaeoceen, had zich echter een nieuwe primitieve, weinig gespecialiseerde orde, de Acreodi, ontwikkeld. Hiertoe behoorden de mesonychiden: wolf-, hyena- en beerachtige omnivoren die zich ontpopten als roofdieren. Sommige dieren waren zo groot als een vos, andere werden veel groter (Andrewsarchus).

Actinistia    
De Actinistia of Coelacanthida hebben een veel langere, evolutionaire geschiedenis dan velen dachten. Ze verschenen voor het eerst in het Midden-Devoon en de laatste fossielen werden gevonden in gesteenten uit het Laat-Krijt, zo'n zeventig miljoen jaar geleden. In 1938 werd, in de trog die Madagascar van Afrika scheidt, geheel onverwacht een levende coelacanthide gevangen. De bewoners van de nabijgelegen eilandengroep, de Comoren, wisten al jaren van het bestaan van deze vis, maar voor de wetenschap was het een spectaculaire ontdekking. Latimeria chalumnae, de enige overlevende soort van een groep die 380 miljoen jaar geleden ontstond, wordt betiteld als levend fossiel.

Actinopterygii    
De eerste beenvissen die verschenen, waren de straalvinnigen of Actinopterygii, een grote verzameling mariene vissen die later ook het zoete water koloniseerden. De beenvissen ontwikkelden zich zo'n vierhonderd miljoen jaar geleden. Afstammelingen van deze primitieve beenvissen zijn de talrijke en soortenrijke groep van de echte beenvissen van nu, maar ook de veel zeldzamere vissen als steuren, lepelsteuren, Amerikaanse moddersnoek en kaaimansnoeken. Het karakteristiekste kenmerk van alle straalvinnigen, fossiel en levend, is het bezit van benige, parallelle vinstralen, die de vin verstevigen. Bij primitieve straalvinnigen waren de vinnen nauwelijks beweegbaar. Bij modernere vormen werden de vinnen steeds flexibeler en bij de hedendaagse beenvissen zijn de vinnen zeer beweeglijk. In samenhang met de veranderingen in de bouw van de vinnen, werden tijdens de ontwikkeling naar de moderne echte beenvissen nog andere verbeteringen aangebracht. Uit gepaarde luchtzakken ontwikkelde zich de zwemblaas waarmee de vis zijn drijfvermogen kan controleren. De zware schubben op het lichaam werden vervangen door lichtere, meer flexibelere schubben. De staart werd symmetrisch en zorgde voor een gelijkmatige, voortstuwende kracht. De classificatie van de beenvissen is erg ingewikkeld. Er worden niet minder dan twaalf orden onderscheiden. Aan de hand van vijf hiervan wordt de evolutie van deze groep vissen geÔllustereerd. De eerste straalvinningen, de Palaeoniscidae verschenen laat in het Siluur in de zeeŽn, meer dan vierhonderd miljoen jaar geleden. Ze ontwikkelden zich snel en vele groepen veroverden de zoete wateren. Aan het einde van het PalaeozoÔcum ontwikkelden zich uit deze primitieve vissen, ook wel Chondrostei genoemd, vele nieuwe vormen, de Neopterigii. Hieruit onstonden de echte beenvissen. Dikke, met elkaar scharnieren beenschubben, een ver naar achteren geplaatste rugvin en een asymmetrische, haaiachtige staart waren karakteristiek kenmerken van de primitieve straalvinnigen.

Aepyornithiformes    
De Aepyornithiformes, ook wel olifantsvogels genoemd, waren een vogelorde die beperkt was tot het eiland Madagaskar. Er was een aantal soorten van deze struisvogelachtige (en dus niet-vliegende) vogels waarvan ťťn, Aepyornis maximus, mogelijk de grootste vogel was die ooit op aarde rondliep. De laatste olifantsvogels zijn waarschijnlijk rond 1650 uitgestorven, geheel door toedoen van de mens. Eťn van de opmerkelijkste kenmerken zijn de enorme eieren die ze legden.

Aetosauria    
De aetosauriŽrs waren een afsplitsing van de hoofdontwikkelingslijn van de thecodonten. Het waren planteneters met een groot lichaam dat gehuld was in een zwaar beenpantser en leken qua uiterlijk op een krokodil met een korte snuit. De tanden waren klein en bladvormig.

Agnatha    
De eerste gewervelde dieren waren de Agnatha of kaakloze vissen. Resten van deze dieren zijn aangetroffen in gesteenten uit het Laat-Cambrium, ongeveer 520 miljoen jaar geleden. Deze vissen hadden geen kaken waarmee zij prooi konden pakken en bewerken. Ook gepaarde vinnen ontbraken, zodat hun stabiliteit gering moet zijn geweest. Het vangen en eten van prooien zal daarom aanzienlijke problemen hebben opgeleverd. Als gevolg hiervan waren al deze vissen klein (zelden groter dan 30 cm) en aangewezen op het opzuigen van minuscule voedseldeeltjes op de bodem of van plankton aan de oppervlakte. De kaaklozen hadden geen been in hun lichaam. Het inwendig skelet bestond geheel uit kraakbeen - in tegenstelling tot been een materiaal dat vergaat. Dat paleontologen toch van het bestaan van deze dieren weten is te danken aan een benig, uitwendig pantser. Dit pantser bestond uit een groot kopschild en kleine benige schubben op de rest van het lijf. Het was de enige bescherming die deze vissen hadden tegen grote roofdieren zoals de zeeschorpioenen, die in de PalaeozoÔsche zeeŽn leefden. Alle fossiele kaaklozen zijn bekend onder de naam pantservissen of Ostracodermata (letterlijk betekent dit 'schaalhuidigen'). Het pantser van deze vissen is ook het enige dat in de gesteenten bewaard is gebleven. Ondanks het gemis aan kaken beheersten de pantservissen de zeeŽn en de zoete wateren op het noordelijk halfrond voor een periode van 130 miljoen jaar - van het Vroeg-Ordovicium tot het Laat-Devoon. Er ontwikkelden zich twee belangrijke groepen: de Pteraspidomorphi die de Heterostraci en de Thelodontida omvatte en de Cephalaspidomorphi met de Osteostraci en de Anaspida. In onze tijd komen er nog maar twee groepen kaaklozen voor. Geen enkele soort uit deze beide groepen heeft nog het benige pantser van hun voorouders. Beide groepen omvatten hoog gespecialiseerde, voornamelijk in zee levende dieren. De ene groep bestaat uit de wormvormige, aasetende blinde prikken of slijmprikken, de ander uit de aalachtige, parasitaire prikken of lampreien.

AÔstopoda    
De eerste greop lepospondylen die zich ontwikkelde, was tegelijk ook de meest gespecialiseerde groep van alle amfibieŽn. Ze verschenen in het Vroeg-Carboon, ongeveer twintig miljoen jaar nadat de Ichthyostegalia, als eerste amfibieŽn voet aan land hadden gezet. De aÔstopoden ontstonden vermoedelijk uit een viervoetige voorouder, maar verloren vrijwel direct hun poten en ontwikkelden zich tot slangachtige, in holen levende dieren. De gespecialiseerde levenswijze van deze amfibieŽn had duidelijk zijn voordelen, gezien de lange levensduur van deze groep - bijna tachtig miljoen jaar (tot het Midden-Perm).

Allosauridae    
De allosauriŽrs hadden een overeenkomstige bouw als de megalosauriŽrs, maar waren nog groter. Het waren de grootste carnosauriŽrs tijdens de late Jura en ze kwamen overal ter wereld voor. Ze zouden echter al gauw naar de kroon gestoken worden door de nog grotere tyrannosauriŽrs uit het Krijt.

Allosauroidea    
De Allosauroidea zijn een groep theropode dinosauriŽrs behorend tot de groep van de Tetanurae. In 1993 gebruikte Phil Currie voor het eerst de naam Allosauroidea voor een superfamilie die de Allosauridae en de Sinraptoridae omvatte. Omdat de naam afgeleid is van de Allosauridae wordt de benoemer van die familie uit 1878, Othniel Charles Marsh, formeel ook als eerste naamgever van Allosauroidea gezien. In 1997 kwam Kevin Padian met de eerste exacte definitie als klade: de groep bestaande uit de gemeenschappelijke voorouder van Allosaurus fragilis en Sinraptor dongi en al zijn afstammelingen. In 1998 kwam Paul Sereno met een heel andere definitie: alle soorten dichter bij Allosaurus dan bij de moderne vogels (Neornithes). Volgens de definitie van Padian behoren per definitie de Allosauridae en de Sinraptoridae tot Allosauroidea, maar is het goed mogelijk dat de Carcharodontosauridae erbuiten vallen; binnen de definitie van Sereno is dat zeer onwaarschijnlijk.

Amniotomorpha    
De Amniotomorpha bevat 'dieren die op amniote dieren lijken'. Ze zijn hier ingedeeld aangezien ze nog niet alle kenmerken van een amnioot vertonen en erg primitief zijn. Binnen deze groep bevindt zich dan ook de waarschijnlijk vroegste amnioot die bekend is: Westlothiana. De groep Amniota bestaat uit alle dieren met een vruchtvlies en vruchtwater. Dat zijn dus de reptielen, vogels en zoogdieren. Het vruchtvlies bevindt zich in het ei, zoals bij reptielen en vogels het geval is, of in de placenta, zoals bij de zoogdieren.

Amphibia    
De moderne land- en watersalamanders, kikkers en padden zijn de nakomelingen van de eerste Amphibia, oftewel amfibieŽn die zich 370 miljoen jaar geleden op het land waagden. Hun verovering van het land was echter geen volledig succes - voor de voortplanting moesten de amfibieŽn nog steeds terug naar het water. Het zijn hun afstammelingen - de reptielen - die pas echt het land veroverden. De naam Amphibia betekend 'beide levens' en refereert naar het vermogen van deze dieren om in twee werelden te leven - de wereld van het water, nog steeds bewoond door hun voorouders de vissen, en de wereld van het land, dat hun afstammelingen de reptielen zouden erven. De pas uit het ei gekropen larve van een amfibie is aangepast aan het leven in het water - ze heeft kieuwen en een zwemstaart. Later treedt er een vrij snelle gedaantewisseling op waarbij deze kenmerken verloren gaan. De larve krijgt dan longen en sterkere ledematen waarmee ze later aan het leven op het land was aangepast. Er zijn verschillende redenen om aan te nemen dat ook de fossiele amfibieŽn uit het PalaeozoÔcum een dergelijk aquatisch larvaal stadium doorliepen. Er is een aantal vondsten gedaan van kleine individuen met sporen van kieuwen, die via een reeks van steeds grotere exemplaren verbonden zijn met volwassen dieren zonder sporen van kieuwen. In andere gevallen, zoals bij Seymouria werden in de kop van jonge dieren de restanten van kanalen van het zijlijnorgaan aangetroffen. Dit zijlijnorgaan kan alleen werkzaam zijn geweest onder water. Ten slotte is er een aantal nog levende amfibieŽn, zoals de mudpuppy uit Noord-Amerika, die weer zijn teruggekeerd naar een volledig aquatisch bestaan en in het volwassen stadium hun kieuwen hebben behouden. Dit gold ook voor een aantal PalaeozoÔsche amfibieŽn zoals Gerrothorax, die drie paar veervormige kieuwen had. Een van de karakteristiekste kenmerken van de hedendaagse amfibieŽn is hun vochtige huid. Het is tegelijkertijd ook het kenmerk dat hen het duidelijkst onderscheidt van hun PalaeozoÔsche voorouders. Moderne amfibieŽn ademen zowel door de longen als door de huid. Deze huidademhaling legt echter wel beperkingen op aan hun grootte en levenswijze. Veel amfibieŽn uit het PalaeozoÔcum hadden zware schubben of een pantser over het lichaam en bereikten bovendien een respectabele omvang. Ze konden niet door de huid ademhalen en hadden om vochtverlies tegen te gaan een ondoorlaatbare leerachtige huid. Mede hierdoor waren het trage, nogal plompe dieren. Paleontologen zijn het er over eens dat de amfibieŽn zijn ontstaan uit een van de drie groepen spiervinnigen. Deze drie groepen zijn de longvissen (Dipnoi) met een aantal nog levende soorten, de Coelacanthida of Actinistia met nog ťťn levende soort en de uitgestorven Rhipidistia, die zijn opgesplitst in de Osteolepiformes en de Porolepiformes. De structuur van de spieren en beenderen in de gepaarde, vlezige vinnen konden zich zonder veel moeite hebben ontwikkeld tot de ledematen van een primitief amfibie. Bovendien bezaten deze vissen net als amfibieŽn longen. Dit is in ieder geval zeker bij de nog levende longvissen; ook de enig levende Coelacanth heeft een, zij het enkelvoudige, op longen lijkende structuur. Het is op grond hiervan aannemelijk dat ook de uitgestorven Rhipidistia longen gehad zullen hebben. Verder hebben zowel de longvissen als de Rhipidistia openeningen in het verhemelte, die overeenstemmend zijn met de inwendige neusopeningen van de amfibieŽn. Paleontologen verschillen echter van mening over de groep waaruit de amfibieŽn zouden zijn ontstaan. De meesten geloven dat dit de Rhipidistia waren. De bouw van de schedel en de vinnen/poten van deze vissen vertoont een verbluffende overeenkomst met die van de primitieve amfibieŽn. Andere paleontologen houden het erop dat de longvissen de voorouders waren. Zij baseren dit op de ontwikkeling van longen, neusgaten en vinnen die overeenkomt met de ontwikkeling van deze lichaamsdelen bij levende amfibieŽn. Ongeacht tot welke groep de voorouders van de amfibieŽn hebben behoord, blijft de vraag waarom zij aan land zijn gegaan. Immers, de temperatuurwisselingen op het land zijn veel groter en het gevaar van uitdroging ligt constant op de loer. Aanvankelijk dacht men dat deze evolutionaire verandering tot stand was gekomen in een milieu waar periodieke droogten optraden. Vissen die hun uitdrogende poel konden verlaten en over land op zoek konden gaan naar andere nog waterhoudende poelen, zouden sterk in het voordeel zijn geweest. De meest recente theorie gaat er evenwel van uit dat de vissen het land op trokken om te ontkomen aan de vele roofzuchtige waterbewoners. Eenmaal aan land ontdekten zij de grote voedselrijkdom van de sappige begroeiing langs de oevers met slakken, wormen, insekten en andere ongewervelden. Dit was de gelegenheid voor cruciale evolutionaire veranderingen die uiteindelijk leidden tot de ontwikkeling van de eerste amfibieŽn. De oudst bekende amfibieŽn zijn gevonden in gesteenten van het Laat-Devoon op Groenland. In die tijd, zo'n 370 miljoen jaar geleden, maakte Groenland deel uit van het Euramerikaanse continent, dat toen ter hoogte van de evenaar lag. Opvallend is dat bijna lle vroege amfibieŽn en hun afstammelingen, de reptielen, tot in het Midden-Perm, zo'n 270 miljoen jaar geleden, slechts op dit continent zijn aangetroffen. Hieruit kan worden afgeleid dat deze dierenop dit continent moeten zijn ontstaan. Pas na het Midden-Perm, nadat AziŽ en de zuidelijke landmassa's van Gondwanaland aan Euramerika waren vast komen te liggen en gezamenlijk het supercontinent Pangea vormden, verspreidden de amfibieŽn en reptielen zich over de gehele wereld. In het Perm bereikten de PalaeozoÔsche amfibieŽn hun grootste vormenrijkdom. Uit deze periode zijn meer dan honder geslachten bekend, verdeeld over veertig families. In de Trias werden de laatste antieke amfibieŽn door de Therapsiden van het land verdreven. Er zijn uit deze periode weliswaar nog meer dan tachtig geslachten bekend, maar deze behoorden tot slechts vijftien families, alle temnospondyle labyrinthodonten. Aan het lange bestaan van de labyrinthodonten was nu bijna een eind gekomen. In het Jura kwamen nog slechts twee geslachten voor, ťťn in AustraliŽ en ťťn in China. De voorouders van de hedendaagse amfibieŽn met hun vochtige huiden waren ook al verschenen, zoals de eerste kikker Triadobatrachus. Beenderen van de eerste Urodela, waartoe de hedendaagse salamanders behoren, zijn gevonden in gesteenten uit de Jura.

Amphicyonidae    
De Amphicyonidae leefden van het Eoceen tot het Mioceen, tussen vijftig en vijf miljoen jaar geleden. Het was een vormenrijke, succesvolle groep met vertegenwoordigers in Europa, AziŽ, Afrika en Noord-Amerika. Ze vervingen de creodonten toen deze geleidelijk schaarser werden. In het Plioceen werden zij op hun beurt vervangen door de echte honden. De amphicyoniden leken zowel op beren als op honden. De beerachtige kenmerken waren de zoolgang en het grote, zware lichaam. De vorm van de kop en het gebit waren evenwel hondachtig.

Anagalida    
De anagaliden zijn konijnachtige, gravende dieren uit het Vroeg-Tertiair, die voorkwamen in oostelijk AziŽ. Vroeger dacht men dat deze dieren verwant waren aan de springspitsmuizen, maar volgens de huidige opvattingen staan ze dichter bij de knaagdieren.

Anapsida    
Het gemeenschappelijke kenmerk van de vroege, primiefste reptielen is de uit ťťn stuk opgebouwde schedel, waarin alleen maar openingen voor de ogen en de neuwgaten zitten. De kaakspieren lagen in deze schedel opgesloten en waren klein. Als gevolg hiervan kon de bek niet ver worden geopend en was de beet vrij zwak. Bij latere reptielen ontwikkelden zich slaapvensters in de schedel, waardoor de kaken efficiŽnter konden werken. Bij dergelijke diapside reptielen en hun verwanten was de kracht van de beet groter en kon de bek verder worden geopend zodat grotere prooien verschalkt konden worden. Tegenwoordig komt er nog slechts een reptielenorde met anapside schedels voor - de Chelonia, de land- en zeeschildpadden. De andere twee orden, de captorhiniden en de mesosauriŽrs zijn meer dan tweehonderdvijftig miljoen jaar geleden uitgestorven.

Anaspida    
De Anaspida bestaan uit een groep kaakloze vertebraten, die leefden gedurende het Siluur (430 tot 410 miljoen jaar geleden). De Anaspida verschillen ten opzichte van de meeste ostracodermen (alle fossiele kaakloze vissen) in het feit dat ze geen massief kopschild hebben, alhoewel hun kop is bedekt met zowel grote benige platen als kleine schubben. Daarnaast hebben ze een nogal slank, zijdelings afgeplat lichaam, met 8 tot 15 kieuwopeningen in een schuine rij achter de ogen, zoals bij lampreien. Achter de kieuwopeningen bevindt zich ten minste ťťn stekel. Het deel van de staartvin dat de notochord bevat wordt naar beneden afgebogen. Aan de bovenkant van hun kop bevindt zich een gat in het schedeldak, dat wordt beschouwd als zijnde een nasohypofysische opening (ook zoals bij lampreien het geval is). Die opening is een naar buiten gelegen opening van het reukorgaan en de hypofysebuis (de hypofyse is een klier onder de hersenen). Ze verschillen echter van de lampreien, doordat ze gepaarde vinnen hebben. Met al deze kenmerken lijken de Anaspida veel op de moderne lampreien en zijn ze lang als de voorouders van deze dieren beschouwd. Onderzoek naar de evolutionaire ontwikkeling van de Anaspida heeft echter doen blijken dat deze vissen meer verwant zijn aan de gnathostomen (dieren met echte kaken). Hun positie in de evolutionaire afstammingslijn schommelt echter aanzienlijk. De Anaspida leefden in mariene kustomgevingen. Er worden relatief weinig fossielen van deze dieren aangetroffen, omdat hun skelet nogal teer is. De best geconserveerde fossielen zijn afkomstig uit het Siluur in Noorwegen en Schotland.

Anchisauridae    
Deze familie omvat de vroegste prosauropoden, die op hun beurt weer behoorden tot de eerste dinosauriŽrs. Het waren vrij kleine dieren (tot 3 meter lang) met een lang, lichtgebouwd lichaam, slanke poten, een kleine kop en een lange hals en staart. AnchisauriŽrs zijn te beschouwen als vroeg experiment in het eten van planten. Ze hadden stompe, cylindrische tanden met ruwe randen. De armen waren maar weinig korter dan de poten. Dit duidt er op dat de dieren het grootste deel van de tijd op vier voeten liepen. In deze houding konden ze makkelijker bij op de grond groeiende planten. Omdat het enkelgewricht van de achterpoten ook sterk en goed ontwikkeld was, mag men aannemen dat de dieren zich geregeld oprichtten, bijvoorbeeld om hogere plantendelen af te bijten. Sommige paleontologen geloven dat de anchisauriŽrs de voorouders van de Ornithischia waren. Vooral Anchisaurus heeft een aantal overeenkomstige kenmerken met primitieve ornithopoden zoals Heterodontosaurus. Dit zijn onder andere de lange slanke hals, de bouw van de schouders en de voorpoten, details van de heupbeenderen en het enkelgewricht.

Ancylopoda    
Tot deze suborde van de onevenhoevigen behoren een aantal bizarre dieren, die paleontologen voor raadsels plaatsen. De suborde omvat twee families. De eerste oudste familie, de Eomoropidae, omvatte vertegenwoordigers die overeen kwamen met andere primitieve onevenhoevigen. Ze leefden in het Eoceen en Vroeg-Oligoceen (tussen 50 en 35 miljoen jaar geleden) in oostelijk AziŽ en Noord-Amerika. De tweede en belangrijkste familie, de Chalicotheriidae, ontstond in het EoceenMioceen naar Afrika en Noord-Amerika. De chalicotheriŽn stierven twee miljoen jaar geleden uit, zonder dat ze grote evolutionaire veranderingen hadden ondergaan.

Angiospermae    
De Angiospermae (ookwel Magnoliophyta) of bedektzadigen zijn de belangrijkste groep landplanten. Het is niet bekend hoeveel soorten bedektzadigen er zijn: de meest plausibele schattingen belopen tussen de 200.000 tot 450.000 soorten. Alle planten die tot deze groep horen, laten bloemen zien, hoe onopvallend ook (zoals bij de grassen en de loofbomen). Vandaar dat ze ook wel bloemplanten, of bloeiende planten genoemd worden. Bij de bedektzadigen liggen de zaden in een vrucht. In sommige gevallen zijn deze vruchten onopvallend, zoals bij een eikel, waar de vrucht slechts een heel dunne bedekking van het zaad vormt. In andere gevallen zijn de vruchten heel opvallend, zoals bij de tomaat, en zijn de zaden onopvallend. De angiospermen verchenen voor het eerst omstreeks 125 miljoen jaar geleden. Rond het Midden-Krijt hadden de bloemplanten talrijke vormen ontwikkeld en waren de belangrijkste hedendaagse families ook al geŽvolueerd. De bloemplanten worden onderverdeeld in monocotylen, zoals palmen en lelies, en dicotylen, zoals breedbladige bomen, struiken en vele kruiden. Na de massa-extincties aan het einde van het Krijt hebben de bloemplanten zich geŽvolueerd tot een onvoorstelbaar aantal soorten. Een toename van vochtigheid leidde tot de ontwikkeling van tropische regenwouden met talloze breedbladige bomen. Aan het begin van het Tertiair (omstreeks 65 miljoen jaar geleden) hadden alle belangrijkste groepen bloemplanten, waaronder de voorlopers van de grassen, zoals rijst, tarwe en maÔs, zich geŽvolueerd. Dat gold ook voor de belangrijkste typen vruchten. In het Vroeg-Tertiair was er dan ook een verscheidenheid aan doosvruchten, noten, steenvruchten, bessen, zaaddozen. Sindsdien is er weinig verandering opgetreden in het aanzien van de vegetatie.

Animalia    
Alle dieren bevinden zich in dit rijk, dat ook wel Metazoa wordt genoemd. In dit rijk bevinden zich geen eencelligen, alleen meercelligen. De organismen binnen Animalia zijn voor hun voedsel direct of indirect afhankelijk van andere organismen. De meeste leden nemen voedsel op en verteren dat in een interne holte.

Ankylosauria    
De afname van de stegosauriŽrs aan het einde van de Jura hangt mogelijk samen met de opkomst van een andere groep gepantserde dinosauriŽrs, de ankylosauriŽrs. Ze verspreidden zich over de noordelijk continenten gedurende het Krijt en waren aan het eind van deze periode vooral in Aziamerika erg talrijk. Net als de stegosauriŽrs waren de ankylosauriŽrs zware, viervoetige planteneters. Het uit platen bestaande pantser was effectiever dan dat van de stegosauriŽrs. De nek, rug, flanken en staart waren volledig bedekt door een mozaÔek van beenplaten die lagen ingebed in de huid en bedekt waren met hoorn. De platen waren bezet met talrijke stekels en knobbels. De ankylosauriŽrs worden onderverdeeld in twee families. De Nodosauridae hadden smalle schedels, gepantserde ruggen en grote stekels aan de flanken. De Ankylosauridae hadden brede schedels en een zware, knotsvormig verbeende staartpunten. Een derde familie, de Scelidosauridae, worden verontdersteld primieve vertegenwoordigers van deze groep te zijn.

Ankylosauridae    
Tegen het einde van het Krijt namen deze dinosauriŽrs snel in aantal toe en verdrongen, vooral in westelijk Noord-Amerika en Oost-AziŽ, hun verwanten de nodosauriŽrs Ook de ankylosauriŽrs hadden op hun rug een zwaar pantser van dikke platen en stekels. Het koppantser was beter ontwikkeld en de top van de staart was knotsvormig verdikt. Met deze beenknots konden ze een aanvallende carnosauriŽr dodelijk verwonden. De ankylosauriŽrs zijn het best te vergelijken met tanks. Sommige hadden zelfs dezelfde grootte. Ze waren korter en steviger dan de nodosauriŽrs en hadden massieve heupen en achterpoten. De heupen waren door minstens acht heiligbeenwervels met de wervelkolom verbonden - een zeer degelijke ophanging van de achterpoten. De heupbeenderen zelf waren dusdanig vergroeid dat iedere gelijkenis met de heupbeenderen van een ornithischiŽr zoek was.

Anseriformes    
Tot deze orde behoren de voorouders van de hedendaagse eenden, ganzen en zwanen. Ze ontwikkelden zich in het Krijt uit andere vogels. Een familie, de Presbyornithidae, evolueerde tot grote, langpotige waadvogels.

Anthracosauria    
De anthracosauriŽrs, ook wel bekend onder de naam batrachosauriŽrs, waren labyrinthodonten die verschenen in het Carboon en in het Midden-Perm uitstierven. De groep was lang niet zo talrijk en vormenrijk als de temnospondylen, maar onder hen bevonden zich wel de voorouders van de reptielen. In tegenstelling tot de temnospondylen, zijn bij de anthracosauriŽrs de zijdelings gelegen elementen aan de wervels behouden gebleven en ontwikkeld tot de wervelkolom. Bij primitieve dieren zijn deze beide elementen nog in de vorm van 2 halve ringen. Bij latere soorten smelten deze samen en vormen zo de wervelkolom van de amnioten.

Anthropoidea    
De suborde Anthropoidea ofwel 'echte apen' omvat twee infraorden - de Platyrrhini of breedneusapen uit de Nieuwe Wereld en de Catarrhini of smalneusapen uit de Oude Wereld. De onderorde Anthropoidea van de orde Primates kent ca. 140 soorten. De verspreiding is voornamelijk tropisch, namelijk Zuid- en Midden-Amerika, Afrika ten zuiden van de Sahara en Noordwest-Afrika, AziŽ ten zuiden van de Himalaya en oostwaarts tot aan Bali, Sulawesi en de Filippijnen en ook in oostelijke richting tot in Japan. De (echte) apen zijn waarschijnlijk uit de Omomyidae ontstaan. Deze dieren ontwikkelden zich zo'n veertig miljoen jaar geleden in Noord-Amerika en EuraziŽ. Deze verspreidden zich over de Oude wereld en tot in Zuid-Amerika, dat toen nog tegen Afrika lag. Deze verspreiding en latere scheiding leidde tot de ancestrale groepen van de apen van de Nieuwe Wereld en de Oude Wereld (waartoe de mens behoort). Apen zijn in bepaalde opzichten de hoogst ontwikkelde zoogdieren; in andere eigenschappen, zoals de ontwikkeling van alle vijf de vingers en tenen, staan de apen weer dicht bij de primitiefste zoogdieren, de insecteneters. Hun hersenen zijn relatief groter dan die van de andere dieren, speciaal de grote hersenen zijn groter en ingewikkelder van bouw. Door de relatieve overheersing van de hersenschedel ten opzichte van de aangezichtsschedel is deze laatste gereduceerd (kortere Ďsnuití), hetgeen weer invloed heeft gehad op de bouw van kaken en gebit. Het gebit is volledig, met sterk ontwikkelde hoektanden en met knobbelkiezen; de snijtanden zijn beitelvormig en verticaal geplaatst. De apen zijn alleseters (omnivoren). Al gaat hun voorkeur uit naar plantaardig voedsel, zoals vruchten, noten, knoppen, bloemen, bladeren, wortels en knollen, zij eten tevens jonge vogels en eieren, kruipende dieren, insecten en insectenlarven, slakken, mosselen, enz. De zintuigen zijn goed ontwikkeld; de voornaamste zijn de ogen, die in grote, gesloten oogkassen recht naar voren gericht staan, waardoor de apen in staat zijn stereoscopisch te zien en dus goed afstanden kunnen schatten, hetgeen voor hun levenswijze in bomen (grijpen van takken) van groot belang is. Ook de kleurzin is beter ontwikkeld dan bij de andere zoogdieren. Als gevolg van de beweeglijke gelaatsspieren hebben de apen een opvallende mimiek. De voorste ledematen zijn echte armen met een rolgewricht en een grijphand; de achterste ledematen eindigen meestal in grijpvoeten met opponeerbare grote teen. Vingers en tenen zijn voorzien van platte nagels. De meeste apen zijn dagdieren, die geheel zijn aangepast aan het leven in bomen; alleen een aantal rotsbewoners, zoals de bavianen, zijn bodemdieren geworden. Zij houden zich bij voorkeur in de kruinen op en bewegen zich kruipend-klimmend met alle vier de ledematen langs de takken of lopend en springend over de takken voort; de slingerapen, gibbons en mensapen bewegen zich, voornamelijk door middel van hun sterk ontwikkelde armen, hangend-klimmend of zich van tak tot tak slingerend voort (brachiatie). Bij de meeste breedneusapen wordt de grijpstaart als een vijfde hand gebruikt. De mensapen komen ook vaak op de bodem, maar lopen dan meestal steunend op hun armen. Als nachtverblijf bouwen de apen soms een nest van takken en bladeren. De lagere soorten leven veelal solitair, de hogere in troepen. Zoín troep kan bestaan uit een harem met mannetje (pasja), enkele wijfjes en jongen, uit een familie of uit kleine of grote horden. In de troep heerst als regel een strenge sociale rangorde met een mannetje als leider aan de top. Bij de mensapen is er soms een neiging tot monogamie en gezinsvorming. Apen hebben geen bepaalde bronsttijd. De wijfjes brengen jaarlijks ťťn jong ter wereld, dat door de moeder aan de borst (later soms op de rug) wordt meegedragen. Het sociale leven van de apen is hoog ontwikkeld; naast een aantal handelingen (bijv. Ďvlooiení, waarbij gezocht wordt naar uit zweet uitgekristalliseerde zoutkristallen en vochtverontreiniging) en lichaamshoudingen speelt ook de mimiek een grote rol.

Antiarchi    
De Antiarchi of armvinnigen of īarmvissenī zijn uitgestorven pantservissen, die leefden gedurende het Midden-Devoon en Laat-Devoon (zoīn 385-360 miljoen jaar geleden). Ze hadden een stevig, benig kop- en romppantser. De dieren hebben een kleine kop met aan de bovenkant een kleine opening waarin zich de ogen, de neusgaten en de epifyse (een kleine klier in het centrum van de hersenen) bevonden. Achterin de nek bevinden zich vijfhoekige pantserplaatjes met scharnierende kogels, zodat de kop met de romp kon scharnieren. Deze dieren hebben een verlengd romppantser. Het rugpantser bestaat uit twee pantserplaten. En zelfs de borstvinnen zijn bedekt met pantserplaten. De kleine buikvinnen daarentegen zijn onbepantserd. Door het zware pantser waren ze niet goed in staat om te zwemmen. Ze leefden dan ook op de zeebodem, waar ze organisch materiaal uit de modder zeefden.

Anura    
De moderne kikkers en padden worden gegroepeerd in de Anura. De volwassen dieren zijn zeer gespecialiseerde gewervelde dieren met de kortste wervelkolom van alle vertebraten en met geweldige springpoten. Een anure ondergaat tussen het larvale en het volwassen stadium een ware metamorphose. Hij verandert van een pootloze, zwemmende herbivoor (kikkervisje) met een lange staart in een springende, staartloze insectivoor met grote ogen. Paleontologen zijn er vrij zeker van dat de temnospondyle labyrinthodonten, bijvoorbeeld van eryopide vormen. De eerste amfibie met kikkerachtige trekken dateert uit de vroege Trias.

Arandaspida    
De Arandaspida bestaat uit een kleine groep van bepantserde, kaakloze vertebraten, die leefden in het Ordovicium (van 480 tot 440 miljoen jaar geleden. Het zijn tot dusver de oudst bekende Craniata (dieren met een schedel), op de Euconodonta na, waarover de meningen nog zeer verdeeld zijn. Het is een subgroep van de Pteraspidomorphi vanwege de grote platen van het kopschild, die tot halverwege de buik en over de gehele rug lopen. Het zijn mariene dieren en zijn alleen gevonden in AustraliŽ en Zuid-Amerika (Bolivia en ArgentiniŽ). Ze worden gekenmerkt door groepen van twintig diamantvormige schubben tussen het rug- en buikpantser met meer dan 15, zeer kleine kieuwopeningen, die daartussen open gaan. De ogen van deze dieren liggen aan de voorkant van het kopschild en zijn omringt met een verharde ring. Het lichaam is bedekt met staafvormige schubben die in V-vormen zijn gerangschikt. De staart had waarschijnlijk de vorm van een kussen of ruit, waarin de ruggenwervel naar boven afboog. De tandbeenderen hebben eikenbladvormige knobbeltjes zonder tandbeen. Tussen de knobbeltjes bevonden zich sleuven voor zenuwen.

Archaefructaceae    
De familie Archaefructaceae is voorgesteld als basis voor alle angiospermen. Een alternatieve kijk op het enige geslacht binnen de familie, Archaefructus, suggereert echter dat de verlengde stengel een type bloeiwijze is in plaats van een bloem. Bij deze bloeiwijze bevinden zich de meeldraaddragende (mannelijke) bloemen onderaan en de stamperdragende (vrouwelijke) bloemen bovenaan. Als deze interpretatie klopt is staat deze familie niet aan de basis van de angiospermen maar is hij eerder verwant aan de Nymphaeales of aan de basale Eudicotyledoneae.

Archaeoceti    
De Archaeoceti of oerwalvissen verschenen vor het eerst in de Vroeg-Eocene zeeŽn, zo'n 54 miljoen jaar geleden. Ze ontwikkelden zich uit amfibisch levende zoogdieren. Aanvankelijk waren het kleine, vierpotige, robachtige dieren met weinig aanpassingen aan het waterleven. Aan het eind van het Eoceen hadden deze dieren zich evenwel ontwikkeld tot enorme, slangachtige dieren die volledig aan het leven in het water waren aangepast.

Archaeornithes    
De onderklasse Archaeornithes of oervogels omvat slechts een paar geslachten waaronder ook Archaeopteryx lithographica. Deze vroege vogel neemt in de evolutionaire geschiedenis van de gewervelden een zeer voorname plaats in, omdat hij de schakel vormt tusen twee hoofdgroepen - de reptielen en de vogels. De Archaeornithes leefden gedurende de Jura, gedurende het MesozoÔcum. Ze bezitten een staart bestaande uit 13 staartwervels, die twee rijen opzij staande staartpennen draagt, ze bezitten dus geen pygostyle. Ze bezitten zandlopervormige wervels (amphicoel; met aan beide kanten een holte). Drie vingers, elk met een klauw, en de middenhandsbeentjes liggen onafhankelijk van de vleugel en bevonden zich dus aan de voorzijde van de vleugel. Beide kaken waren bezet met tanden.

Araeoscelida    
De oudste en primitiefste diapsiden waren de kleine, hagedisachtige araeosceliden met hun lange nekken en dunne renpoten er zijn slechts vier geslachten behorende tot twee families bekend. Ze leefden van het Laat-Carboon tot het Midden-Perm over een periode van veertig miljoen jaar.

Archosauria    
De archosauriŽrs waren van de grote reptielen de spectaculairste groep. Ze domineerden het landleven gedurende het MesozoÔcum, een heerschappij van zo'n 180 miljoen jaar. Vliegende reptielen, de pterosauriŽrs heersten in de lucht, dinosauriŽrs op het land en krokodillen, de enige nog levende archosauriŽrs, in de zeeŽn en het zoete water. De krokodillen hebben een evolutionaire geschiedenis van meer dan 230 miljoen jaar achter de rug. Al deze uiterlijk zo verschillende dieren hadden een gemeenschappelijk kenmerk - hun diapside schedel met twee slaapvensters achter het oog.

Archosauromorpha    
De archosauriŽrs vormen een bonte verzameling spectaculaire reptielen - de dinosauriŽrs, de pterosauriŽrs en de krokodillen. Ze zijn in het Perm ontstaan uit een groep primitieve, diapside reptielen, de archosauromorphen, en vertegenwoordigen een geheel andere ontwikkelingslijn dan de hagedissen en slangen. De meeste archosauromorphen waren goed aan het landleven aagepaste reptielen. De poten stonden vrijwel recht onder het lichaam. Aan deze standverandering waren ook verbeteringen in het enkelgewricht en in de beweeglijkheid van de grote tenen gekoppeld. De vleesetende protorosauriŽrs waren de oudste vertegenwoordigers van deze groep en tevens de voorouders van de dinosauriŽrs. De rhynchosauriŽrs ontwikkelden zich pas later en waren vooral tijdens de Midden-Trias erg succesvol.

Arctocyonia    
De Arctocyonia was een uiterst succesvolle, talrijke en vormenrijke groep van overwelgend kleine zoogdieren, nauwelijks groter dan een huishond. Ze hadden lange, lage schedels en een volledig gebit met eenvormige tanden.

Arctocyonidae    
De Arctocyonidae was de vroegste en primitiefste familie van de orde Arctocyonia. De arctocyoniden waren kortpotige, enigszins onhandig gebouwde dieren die zo groot konden worden als een kleine beer.

Ardeosauridae    
De ardeosauriŽrs of gekko's verschenen al vroeg op het toneel. Ze dateren uit de late Jura. De enige nog levende familie van deze groep, de Gekkonidae, ontstond echter pas zo'n veertig miljoen jaar geleden in het Eoceen. De familie omvat meer dan 670 soorten, die alle voorkomen in warme, tropische gebieden.

Argyrolagidae    
Deze familie bestond uit dieren die sterk leken op de hedendaagse springmuizen en buidelspringmuizen. Net als deze moderne dieren waren het mogelijk in woestijnen levende nachtdieren, die zich met een reeks grote sprongen snel over de kale grond verplaatsen en zich voedden met jonge scheuten en wortels van woestijnplanten.

Arthrodira    
De orde Artrhodira leefden vanaf het Vroeg-Devoon tot aan het Laat-Devoon. Deze groep omvat twee derde van de placodermen en is de enige groep die twee paar tandplaten in de bovenkaak heeft zitten. De schedel heeft een regelmatig patroon van beenderen met de ogen aan de zijkanten van de kop en een afzonderlijke wangplaat die scharnierde langs de zijkant van het schedeldak. Bij alle meer ontwikkelde Arthrodira raken het kop- en rompschild elkaar door middel van een kogel-en-komgewricht. Bij primitievere vormen is dit een schuivend gewricht bij de nek. De Arthrodira hadden haaiachtige lichamen met ťťn enkele rugvin, brede, vlezige gepaarde borstvinnen en een aarsvin. De staart is bij primitieve dieren nog bedekt met schubben, maar naakt bij de latere soorten. De meeste Artrhodira zijn 20 tot 30 cm lang en waren waarschijnlijk actieve jagers aan het wateroppervlak. In tropische zeeŽn joegen ze dan achter garnalen en andere kreeftachtigen aan. De grootste soorten hadden schedels van 1 meter lang, met een totale lengte van 6 tot 8 meter. Deze soorten hadden gepunte toppen in hun tandplaten, die scherp werden gehouden door afschuring tijdens het sluiten van de bek. Deze afschuring werd goed gecompenseerd door het groeien van de tandplaten vanaf de andere kant, waardoor gedurende het hele leven van de vis een scherp snijvlak werd behouden.

Arthropoda    
De Arthropoda of geleedpotigen zijn dieren met een uitwendig skelet van chitine, eventueel versterkt met calciumcarbonaat, waarvan de poten een aantal gewrichten hebben. Hun lichaam is gesegmenteerd, waarbij verschillende ondergroeperingen kunnen zijn ontstaan (tagmosis, de versmelting/samengroeiing van een aantal segmenten), bij spinnen bijvoorbeeld in een kopborststuk en achterlijf, bij insekten in een kop, borststuk en achterlijf. Ze vormen de grootste stam (Phylum) van het dierenrijk en komen in alle leefomgevingen (land, zoetwater, zout water en lucht) voor. De insekten alleen al tellen inclusief niet-ontdekte soorten ongeveer 5-8 miljoen soorten, en volgens sommige theorieŽn wel 30 miljoen, maar voor 1980 waren er slechts 200 000 soorten beschreven. Kreeften, krabben, insekten, duizendpoten, spinnen, schorpioenen en zeepokken behoren allen tot de arthropoda. En ook de uitgestorven groep van trilobieten. Ongeveer 4 van iedere 5 diersoorten op aarde zijn geleedpotigen.

Arthropodomorpha    
Deze groep omvat de geleedpootachtigen. Oftewel de dieren die lijken op (en dus dicht verwant zijn aan) de geleedpotigen. Deze bestaat uit de Arthropoda (geleedpotigen) en de Tardigrada ("waterberen", primitieve geleedpotigen van zo'n halve millimeter lang) en nog wat andere primitieve families die bij geen van die twee zijn ingedeeld.

Aspidorhynchiformes    
De Aspidorhynchiformes zijn nauw verant aan de echte beenvissen (Teleostei). Zowel de Aspidorhycnhiformes als de Teleostei stammen mogelijk af van een gemeenschappelijke voorouder. In de late Jura kwamen deze dieren wijd verbreid op aarde voor. Tegenwoordig kunnen we in de zoete wateren van Noord-Amerika de enige, overlevende aspidorhynchide, de Amerikaanse moddernsnoek, Amia calva, aantreffen.

Astrapotheria    
De astrapotheriŽn vormden een kleine orde, waarvan veel fossielen zijn gevonden. Deze dieren, die leefden van het Laat-Palaeoceen tot het Midden-Mioceen, hadden de grootte van een neushoorn, slagtanden en een korte slurf.

Astrapotheriidae    
Van de vertegenwoordigers van deze familie zijn in vulkanische as talrijke, complete skeletten gevonden. De levenswijze en de verwantschappen met andere Zuidamerikaanse hoefdieren is onduidelijk.

Astraspida    
Tot de ontdekking van de Arandaspida, in 1970, waren de Astraspida en de Eriptychiida de enige bekende vertebraten uit het Ordovicium. De Astraspida bestaan uit een kleine groep van gepantserde, kaakloze vertebraten, die in het Midden-Ordovicium (zo'n 450 miljoen jaar geleden) in Noord-Amerika leefden. Ze zijn geplaatst als lid van de Pteraspidomorphi vanwege de grote buik- en rugpantsers van hun kopschild. De groep wordt vertegenwoordigd door slechts ťťn soort, Astraspis, die twee geslachten omvat: A. desiderata en A. splendens. Er is echter een overvloed aan overblijfselen van de dieren gevonden in het zandsteen van de Verenigde Staten. Het kopschild is erg massief met een tien paar kieuwopeningen langs de zijkant van het rugpantser en zijdelings geplaatste ogen. Over het rugpantser lopen een aantal kammen over de lengte van het schild. De staart is bedekt met grote diamantvormige schubben.

Aves    
De Aves, oftewel de vogels zijn de erkende meesters van het luchtruim. Hun talrijkheid en vormenrijkdom in heden en verleden (ongeveer 166 levende families) wordt door geen enkele andere groep vliegende dieren overtroffen. Hun succes is te danken aan een voor de dierenwereld unieke structuur - veren. Veren zijn erg lichte, aerodynamische structuren, onststaan uit reptielenschubben en gemakkelijk te vervangen bij beschadiging. Dit in tegenstelling tot de kwetsbare vlieghuid van de pterosauriŽrs en vleermuizen. Door de verandering van de voorpoten in gevederde konden de vogels beschikken over een voldoende groot dragend oppervlak om het lichaam in de lucht te houden. De voorpoten werden uitsluitend gebruikt voor het vliegen en konden in rust helemaal opgevouwen worden. De achterpoten werden aangepast aan het rechtop lopen. Grote, krachtige vliegspieren maken een actieve slagvlucht mogelijk. Deze spieren maken vijftien tot dertig procent van het totale lichaamsgewicht uit. Ze lopen van de vleugels naar de schoudergordel waar zij zijn aangehecht aan het sterk gekielde borstbeen (sternum), aan de vergroeide sleutelbeenderen (het vorkbeen (furcula) of 'wensbeen') en aan een vlies dat het vorkbeen verbindt met het borstbeen. Het schoudergewricht is bij vogels omhoog geschoven zodat her genoeg ruimte is voor de grote spieren. Het bevindt zich ter hoogte van de wervelkolom. Om weerstand te kunnen bieden aan de kracht die vrijkomt al de vliegspieren contraheren, is het borstbeen door middel van verlengde ravenbeksbeenderen (coracoÔden) bevestigd met het schoudergewricht en door middel van sterke, maar buigzame ribben met de wervelkolom. Om op twee poten te kunnen lopen en zichzelf te kunnen lanceren moet een vogel kunnen beschikken over lange, krachtige poten. Hiertoe zijn de beenderen van het onderbeen verlengd en is er aan 'het enkelgewricht' een nieuw been toegevoegd. Dit is het loopbeen of tarso-metatarsus, dat bestaat uit verlengden en vergroeide voetwortel en middenvoetsbeentjes. De krachige beenspieren zijn bevestigd aan een gemodificeerde heupgordel, waarvan de diverse beenderen verlengd zijn. Het ilium (darmbeen) steekt ver voor het heupgewricht uit en is door middel van 11 tot 23 heiligbeenwervels met de ruggengraat vergroeid. Pubis (schaambeen) en ischium (heupbeen) steken vanaf het heupgewricht naar achteren. Om te voorkomen dat een vogel tijdens het lopen omvalt, is het zwaartepunt naar achteren verschoven. Dit is bereikt door een verkorting van het lichaam. Omdat de sterke, flexibele vleugels de voortbeweging en het evenwicht van een vogel in de lucht verzorgen, is een lange staart zo goed als overbodig. De laatste vijf staartwervels zijn vergroeid tot eenkort staartbeen (pygostyle), waarop de staartveren zijn ingeplant. Deze veren worden gebruikt om te remmen en deels om te sturen. Naast aanpassingen aan het skelet waren er ook fysiologisch aanpassingen nodig om te kunnen voldoen aan de enorme hoeveelheden energie die het vliegen vraagt. Zo werd het ademhalingssysteem bijvoorbeeld veel efficiŽnter. Door een ingenieus stelsel van luchtzakken, verbonden met de luchtwegen, passeert een continue luchtstroom de longen van een vogel. Een andere stucturele aanpassing was de warmbloedigheid van vogels. Hierdoor blijft de hoeveelheid beschikbare energie bij veranderende omgevingstemperaturen hetzelfde. Het lichaam van een warmbloedige moet echter wel op een of ander wijze geÔsoleerd zijn. Bij vogels zorgen de donsveren voor de isolatie. Deze liggen onder de dekveren die de vogels hun gestroomlijnde vorm geven. Het skelet van een moderne vogel verschilt hemelsbreed van dat van een reptiel. De afstamming van de vogels was tot de gelukkige vondst van Archaeopteryx niet met zekerheid bekend. Archaeopteryx, gevonden in een Laat-Jurassische kalksteen, is zowel in tijd als in bouw eeen intermediair tussen de reptielen en de vogels. Archaeopteryx is daarom ook een belangrijke ondersteuning voor de evolutietheorie. Na Archaeopteryx verschenen er in het Krijt twee enigszins afwijkende groepen (onderklassen) van vogels: de Enantiornithes en de Odontornithes (tandvogels). Vertegenwoordigers van de eerste groep werden in ArgentiniŽ gevonden en beschreven in 1981. Bepaalde kenmerken van het opperarmbeen en de schoudergordel onderscheiden deze weinig bekende groep van alle andere vogels. De andere groep, de Odontornithes, even een heel nieuwe kijk op de evolutie van vogels. Net als hun voorouders hadden deze zeevogels tanden in de bek, die het pakken van glibberige vissen vergemakkelijkten. Sommige dieren zoals de hesperornithiden of tandduikers hadden het vermogen om te vliegen verloren. Andere, zoals de ichthyornithiden konden wel vliegen en vetoonden overeenkomst met de moderne sterns. Verschillende typen vogels verloren het vermogen om te vliegen. Dit gebeurde bij uitstek in gebieden waar geen actieve rovers aanwezig waren en het energieverslindende vliegen dus niet direct noodzakelijk was. Aan het eind van het Krijt, toen veel carnivore dinosauriŽrs uitstierven en de rovende zoogdieren nog niet verschenen waren of bepaalde gebieden nog niet bereikt hadden, ontstonden vele typen vogels die niet konden vliegen. Dit was vooral het geval op geÔsoleerde continenten als AustraliŽ en Zuid-Amerika. De moderne loopvogels (struisvogel, emoe, kiwi, kasuaris en nandoe) worden samen met de uitgestorven moa's en madagascarstruisvogels ondergebracht in ťťn groep de Ratites. Deze grote loopvogels komen overeen in de bouw van het benig verhemelte en schoudergordel en stammen waarschijnlijk af van dezelfde vooroudergroep. De andere hedendaagse vogels en hun uitgestorven verwanten worden ondergebracht in de onderklasse Neornithes of recente vogels. Ook deze dieren stammen vermoedelijk af van gemeenschappelijke voorouders, gezien de overeenkomstige bouw van het complexe benig verhemelte. Gedurende de gehele evolutie van de vogels is er aan de bouw van het skelet betrekklijk weinig veranderd. Dit en het gegeven dat de tere beenderen van vogels slecht bewaard blijven, heeft er toe geleid dat er maar weinig bekend is over de onderlinge verwantschappen tussen 166 families van de levende vogels. Hoe prehistorische vogels er precies hebben uitgezien is nauwelijks bekend. Enerzijds komt dit doordat er maar zo weinig vogelbeenderen gevonden zijn en anderzijds doordat er van veren - en die bepalen uiteindelijk de vorm van een vogel - vrijwel nooit afdrukken in de steenlagen worden gevonden.

Baryonychidae    
Deze familie werd in 1986 gecreŽerd om de sterk afwijkende theropode Baryonyx in onder te brengen. Van dit reptiel werd in 1983 in Sussex, Engeland een skelet gevonden. De schedel en de voorpoten van dit dier wijken sterk af van die van andere dinosauriŽrs.

Bivalvia    
De Bivalvia (ook wel Pelecypoda of Lamellibranchia) of tweekleppigen zijn weekdieren (Mollusca) met een uitwendige schelp, die uit twee, vaak spiegelbeeldige, kleppen bestaat. De kleppen zijn aan de rugzijde verbonden door een ligament en een scharnier. De twee kleppen kunnen sterk en massief, of dun en teer zijn. Het scharnier voorkomt, dat de twee kleppen uit elkaar schieten, en zorgt ervoor dat de schelp kan openen en sluiten. Ze hebben gťťn rasptong (radula), zoals slakken, maar filteren voedseldeeltjes uit het water door middel van zeefvormige kieuwen. Trilharen transporteren de deeltjes naar de mondopening. De bijlvormige uitstulpbare voet dient als 'anker' en wordt bij sommige soorten gebruikt voor de voortbeweging. Tweekleppigen komen voor in zee en zoet water en ze hebben daarom ook zeer ontwikkelde plaatvormige kieuwen. De groep omvat zeker 15 000 verschillende soorten. De tweekleppigen verschenen in het Vroeg-Ordovicium en het worden al als algemeen beschouwd in gesteenten uit het Siluur en Devoon. Aan het eind van het PalaeozoÔcum bestonden de hoofdgroepen van de Bivalvia allemaal al.

Borhyaenidae    
De familie Borhyaenidae is ontstaan uit de Didelphidae (buidelratten) en bestaat volledig uit uitgestorven, carnivore, Zuidamerikaanse buideldieren. Qua levenswijze en uiterlijk leken deze dieren sterk op de niet-verwante, carnivore, placentale zoogdieren van andere continenten zoals de katten, de honden en de beren. Het is een fraai staaltje van convergente evolutie.

Bovidae    
Tot deze familie behoren de echte antilopen en de runderen. De kopversieringen bij deze dieren bestaan uit een kern van benig hoorn omgeven door een laag echte hoorn, die niet jaarlijks afgeschud wordt. De boviden ontstonden in de Oude Wereld gedurende het Mioceen, ongeveer twintig miljoen jaar geleden. De oudste fossielen van gazelleachtige boviden zijn gevonden in Frankrijk, de Sahara en MongoliŽ. In het Laat-Mioceen, ongeveer tien miljoen jaar geleden, nam de vormenrijkdom onder de boviden sterk toe: er verschenen ongeveer zeventig nieuwe geslachten. In het Pleistoceen waren er zo'n honderd verschillende geslachten, tweemaal zoveel als tegenwoordig. Boviden zijn grazers met hoogkronige kiezen aangepast aan het eten van gras. Hierin verschillen ze van de meeste, andere evenhoevigen, die voornamelijk blad eten. Tot aan het Midden-Pleistoceen (ťťn miljoen jaar geleden), toen ze via de Beringbrug Noord-Amerika bereikten, waren ze beperkt tot de Oude Wereld. Levende Noord-amerikaanse vertegenwoordigers van de boviden zijn de bizon, de sneeuwgeiten en het dikhoornschaap. De grote meerderheid komt echter nog steeds in de Oude Wereld voor, waar ze een veelheid aan milieus, van bossen en graslanden tot moerassen en woestijnen bewonen.

Brachiopoda    
De Brachiopoda of armpotigen zijn een uit 260 soorten bestaande afzonderlijke stam van het Dierenrijk. Het zijn vastzittende dieren met een tweekleppige schelp. De schelp bestaat, in tegenstelling tot de Mosselachtigen, uit een rugklep of dorsale klep en een buikklep of ventrale klep. Oppervlakkig gezien lijken deze dieren wel wat op de schelpdieren. Net als een mossel woont ook een Brachiopode tussen twee kleppen. Maar daarmee houdt de vergelijking op. Een eenvoudig verschil tussen schelpdieren en Brachiopoden is te zien aan de kleppen: bij de Brachiopoden zijn de beide kleppen verschillend van vorm en grootte. De grootste klep heeft aan de achterzijde een gaatje waardoor een steel naar buiten steekt waarmee het dier zich aan de bodem vast kan hechten. Karakteristiek voor deze diergroep zijn verder de "lophophoren", vaak lintvormige orgaantjes die dienen als kieuwen en bovendien met behulp van trilhaartjes een waterstroom in de richting van de erachter gelegen mond in stand kan houden. Een brachiopode kan dan ook alleen in helder water leven: te veel aanvoer van slib of zand leidt tot "verstopping". Tegenwoordig vinden we Brachiopoden dan ook alleen in diepere delen van de zee, in de Noordzee bijvoorbeeld alleen op diepten vanaf 200 meter. Er zijn zo'n 30 000 fossiele soorten bekend.

Brachiosauridae    
De leden van deze familie zijn de reuzen onder de sauropoden. Ze leefden in Noord-Amerika, Europa en Oost-Afrika van de Midden-Jura tot in het Vroeg-Krijt. Alle brachiosauriŽrs hadden een zelfde bouw met een kleine kop op een extreem lange hals, een groot lichaam en een betrekkelijk korte staart. Een verschil met alle andere sauropoden was dat de voorpoten langer waren dan de achterpoten. Hierdoor liep het lichaam schuin af, net als bij moderne giraffen. Tot voor kort was Brachiosaurus de grootste bekende dinosauriŽr aller tijden. Betrekkelijk recent zijn echter in Noord-Amerika resten gevonden van nog grotere sauropoden ontdekt die met de officieuze namen Supersaurus en Ultrasaurus worden aangeduid. In 1986 werden in New Mexico de nog grotere beenderen van Seismosaurus blootgelegd. Uit de gevonden resten concludeerde men dat dit dier meer dan 30 meter lang geweest moet zijn. Zo meet een van de de schouderbladen bijvoorbeeld 2,4 meter en werd er een wervel met een lengte van 1,5 meter gevonden. Momenteel zijn Supersaurus en Seismosaurus bij de Diplodocidae ingedeeld en behoort Supersaurus tot de Brachiosauridae.

Brontotheriidae    
Deze familie van de suborde Hippomorpha omvat de zogenaamde 'donderpaarden'. Deze neushoornachtige dieren ontwikkelden zich in het Vroeg-Eoceen, zo'n vijftig miljoen jaar geleden, in Noord-Amerika en oostelijk AziŽ uit kleine dieren die leken op de eerste paarden. Hoewel ze slechs vijftien miljoen jaar leefden, zijn er alles bij elkaar toch zo'n veertig verschillende vormen beschreven. In verschillende opzichten loopt de ontwikkelingsgeschiedenis van de brontotheriŽn parallel met die van de uintatheriŽn en de arsinoitheriŽn. Alle brontotheriŽn leefden van zachte bosplanten. Sommige dieren hadden massieve hoorns en grote slagtanden en er was een algemene tendens naar een steeds grotere omvang. Vanwege hun omvang worden deze dieren ook wel aangeduid met de naam titanotheriŽn. De uitgroeisels op de kop van een brontotheriŽr worden vaak betiteld als hoorns, maar ze bestonden niet uit hoorn en zelfs niet uit samengeperste haren. Deze zogenaamde hoorns waren beenstructuren die overgroeid waren met een dikke huid, vergelijkbaar met de benige hoorntjes van giraffen. Omdat de bizarre structuren bij de mannetjes vaak groter waren dan bij de wijfjes wordt aangenomen dat ze een rol speelden bij de balts en mogelijk bij onderlinge duels tussen mannetjes. Kort nadat de brontotheriŽn het hoogtepunt van hun ontwikkeling hadden bereikt werd het klimaat een stuk droger en kreeg het meer open bosland de overhand. Dit was in het voordeel van lichter gebouwde dieren die op de open vlakten konden leven. De brontotheriŽn verdwenen naar de achtergrond en stierven in het Midden-Oligoceen uit. Ze werden vervangen door de neushoorns.

Bryozoa    
De Bryozoa of mosdiertjes hebben in tegenstelling tot de Anthozoa, twee in plaats van ťťn opening: een mond en een anus. Er bestaan zo'n 4000 soorten mosdiertjes. De meeste leven in zee, maar enkele komen voor in zoet water. In zee bedekken zij bijna elk vast voorwerp van de oppervlakte van rotsen en zeewieren tot scheepsrompen en wrakken op de zeebodem, maar er bestaan ook die vrij in het water zweven. Gewoonlijk vormen zij kolonies en bedekken zo stenen, schelpen en zeewieren met een soort korst, maar sommige van hen groeien hoog op tot vertakte en waaiervormige kolonies en zien er uit als koralen. Ook kunnen ze als takken of als waaiervormige netten vanaf de ondergrond opgroeien. Vele zijn wit of licht van kleur en de soorten die kiezelstenen en zeewieren bedekken zijn meestal klein en ragdun, ofschoon ze soms verschillende vierkante meters rotsoppervlak bedekken. Omdat mosdiertjes vaak kolonies vormen worden ze ook wel Polyzoa (vele diertjes) genoemd. Iedere kolonie bestaat uit een aantal kleine kamers, waar in ieder een polypied, een soort poliep maar met een andere bouw, leeft. Ze hebben 100 of meer trilhaartentakels rond de mond om microscopisch kleine planten en dieren uit het water te zeven, waarmee de polypied zich voedt. Binnen de polypied zijn er geen speciale organen voor de ademhaling en de uitscheiding en er zijn geen bloedvaten. De mond voert naar een U-vormig darmkanaal. Ook hebben ze een zenuwstelsel en enkele eenvoudige spieren.

Cadomelloidea    
De Cadomelloidea is een uitgestorven superfamilie binnen de Brachiopoda. Men is er niet zeker van onder welke substam en/of klasse deze groep te moeten indelen. Ze leefden in het Vroeg-Jura.

Camarasauridae    
De vertegenwoordigers van deze familie waren veel kleiner dan hun verwanten de brachiosauriŽrs en de diplodociden. De hals en de staart van deze dieren waren korter en de kop was hoger met een stompere snuit. De lange, lepelvormige tanden wezen naar voren. Deze kenmerken wijzen er op dat de camarasauriŽrs andere planten aten dan de grotere sauropoden en aldus concurrentie vermeden.

Camelidae    
Moderne kamelen worden alleen aangetroffen in gebieden met extreme omstandigheden. Ze zijn beroemd vanwege hun vermogen om in moeilijk terrein en onder zeer slechte klimaatomstandigheden grote afstanden af te leggen. Zij kunnen dankzij hun unieke fysiologie twee maanden blijven leven op alleen gras of ander plantaardig materiaal (zonder extra water) en grote temperatuurschommelingen doorstaan. De Zuidamerikaanse kameelachtigen - de lama's en verwanten - leven ook al in weinig gastvrije gebieden, zoals de hoogvlakten in de Andes. De moderne kamelen hebben tal van aanpassingen ontwikkeld om te kunnen overleven in hete, droge gebieden. De meeste dieren, inclusief mensen, verliezen bij droog, heet weer water door te zweten, te hijgen of te ademen. Het gevolg hiervan is dat het bloed dikker wordt en de bloedsomloop steeds trager veloopt. Op een gegeven moment is de bloedsomloop zo vertraagd dat er geen warmte via de huid meer kan worden afgevoerd. De lichaamstemperatuur van het dier schiet omhoog en al snel hierna treedt de dood in. Kamelen hebben bloed dat niet dikker kan worden en bovendien beperken zij op tal van manieren het waterverlies. De dikke vacht behoedt hen voor oververhitting en beperkt het waterverlies door huidverdamping. De lichaamstemperatuur wisselt met de omgevingstemperatuur, waardoor het waterverlies door zweten wordt beperkt. Bovendien hebben kamelen sterk geconcentreerde urine en droge uitwerpselen die beide zeer weinig water bevatten. In de opvallende bulten op de rug slaat ze reservevoedsel - vet - op dat ze aanspreken in tijden van schaarste. Bij de omzetting van dit vet in andere stoffen komt water vrij. Ten slotte kunnen kamelen erg veel en vlug drinken. In een drinkbeurt kunnen ze 115 liter water tot zich nemen. Het lijkt er aldus op dat kamelen zeer gespecialiseerde dieren zijn die alleen in dit soort extreme milieus kunnen leven. Niets is echter minder waar. De kamelen waren vroeger een wijdverbreide groep. Ze ontstonden in Noord-Amerika in het Laat-Eoceen, ongeveer veertig miljoen jaar geleden. Hun bloeiperiode op dit continent viel in het Laat-Mioceen (tien miljoen jaar geleden). Pas vijf miljoen jaar geleden, in het Plioceen, verspreidden de kamelen zich naar EuraziŽ en Afrika en bereikten de lama's Zuid-Amerika. In de ijstijden van het Pleistoceen kwamen de kameelachtigen overal in Noord-Amerika voor. Ze hadden zich intussen via de Panama-landbrug naar Zuid-Amerika en via de Beringbrug naar AziŽ uitgebreid. Evenals de paarden zijn de kameelachtigen op het coninent waar hun oorsprong lag - Noord-Amerika - uitgestorven. Dit gebeurde aan het eind van het Pleistoceen, ongeveer 12 duizend jaar geleden. Er zijn twee levende kamelensoorten: de tweebultige huiskameel en de eenbultige dromedaris. Wilde kamelen leven in de Gobi-woestijn in MongoliŽ. De kamelen in Afrika werden ongeveer 2500 jaar geleden door de mens ingevoerd en de 'wilde' kamelen van AustraliŽ ongeveer honderd jaar geleden. Van de Zuidamerikaanse kameelachtigen zijn de lama, alpaca, vicuna en guanaco de levende vertegenwoordigers. Kameelachtigen hebben geen hoorns of slagtanden en hebben een gereduceerd aantal bovenste snijtanden. De onderste snijtanden zijn afgeplat en wijzen bijna horizontaal naar voren. De snijtanden staan wijd uiteen en de voortanden zijn van de grote, hoogkronige en wortelloze (= hypsidonte) kiezen gescheiden door een brede spleet (diasteem). Kameelachtigen gebruiken hun snijtanden om van taaie woestijnplanten te eten. De kiezen zijn uitstekend geschikt om de voorverteerde voedselbrij te herkauwen. Evenals veel andere evenhoevigen zijn kamelen herkauwers. Doorgeslikt voedsel wordt voorverteerd in de maag en vervolgens opgebraakt om nog een keer gekauwd te worden. Pas na deze tweede kauwbeurt wordt het voedsel definief doorgeslikt en nogmaals verteerd. Hoger ontwikkelde herkauwers zoals schapen en herten hebben magen met vier kamers. De magen van kamelen hebben er slechts drie. Op grond van de verschillen in het spijsverteringskanaal met andere herkauwers wordt wel verondersteld, dat kamelen het herkauwen onafhankelijk van andere Ruminantia hebben ontwikkeld. De reductie van het aantal tenen trad bij kamelen vermoedelijk veel eerder op dan bij andere hoefdieren. Vroege kameelachtigen hadden vier tenen aan hun voorpoten die alle de grond raakten. De tweede en vijfde teen van de achterpoten waren echter rudimentair. De poten van de Laat-Miocene Procamelus waren waarschijnlijk al identiek aan de poten van moderne vertegenwoordigers van deze familie. De schenen waren lang en dun en elke voet was voorzien van twee gespreiden tenen, waarvan de middelvoets- / middelhandsbeentjes verlengd waren en aan de top vergroeid tot een Y-vormig been, het kanonbeen. Hierdoor liepen de (latere) kamelen op een heel kenmerkende wijze. In tegenstelling tot andere evenhoevigen, die op de toppen van hun gehoefde tenen liepen (hoefgangers), waren de kamelen echte teengangers. Ze steunen tijdens het lopen op de onderzijde van hun uitgespreide tenen, die was voorzien van een eeltkussen. Deze aanpassing stelde kamelen in staat om met gemak door rul zand te lopen. Moderne kamelen lopen door de beide poten aan ťťn kant van het lichaam tegelijk te bewegen. Deze manier van lopen wordt telgang genoemd en is beperkt tot giraffen en kamelen. De telgang is een efficiŽnte manier om grote afstanden in open terrein af te leggen.

Canidae    
De Canidae, waartoe de vossen, jakhalzen, coyoten, wolven en honden behoren, is een zeer succesvolle groep. Gedurende hun veertig miljoen jaar lange, evolutionaire geschiedenis hebben zij zich aangepast aan een veelheid van leefmilieus en aan zeer uiteenopend voedsel. Als vertegenwoordigers van de Carnivora zijn ze verwant met de marterachtigen, de katachtigen, de robben, zeeleeuwen en walrussen. De eerste hondachtigen verschenen in het Laat-Eoceen, ongeveer veertig miljoen jaar geleden. Het waren betrekkelijk kortpotige dieren die veel weg hadden van de civetkatachtigen. Andere continenten werden pas aan het eind van het Mioceen, ongeveer zes miljoen jaar gelden, gekoloniseerd. In het Vroeg-Oligoceen (35 miljoen jaar gelden) telde de familie Canidae vijf geslachten. Twintig miljoen jaar later hadden zich al tweeŽnveertig geslachten ontwikkeld. Nadien is dit aantal gedaald tot de twaalf geslachten nu (inclusief de huishond). Dat de honden zich aan zulke verschillende leefmilieus en aan zulk uiteenlopend voedsel hebben kunnen aanpassen, is voor een belangrijk deel toe te schrijven aan hun gebit. Behalve over grote, puntige hoektanden en goed ontwikkelde knipkiezen beschikken de hondachtigen over krachtige maalkiezen achter in hun kaken. Het zijn derhalve omnivoren die onder andere botten, vlees, insekten en fruit eten. De hondachtigen hebben ook een zeer goed ontwikkelde reuk, scherpe ogen en een scherp gehoor. Door de lange poten, de teengang en het grote uithoudingsvermogen kunnen ze snelle prooien over lange afstanden achtervolgen. Hun intelligentie en sociale gedrag verhogen de kans op succes bij het vangen van prooien, het ontlopen van roofdieren, het grootbrengen van jongen en het koloniseren van nieuwe leefmilieus.

Capitosauridae    
De capitosauriŽrs waren grote in het water levende tetrapoden, die algemeen voorkwamen gedurende een groot deel van de Trias. De verschillende soorten binnen deze groep onderscheiden zich van elkaar door de relatieve verhoudingen van de snuit, de versieringen en de vorm van de schedel.

Captorhinidae    
Deze succesvolle groep leefde zo'n veertig miljoen jaar lang, gedurende het hele Perm. Ze kwamen voor in Afrika, AziŽ, India en Noord-Amerika. De captorhiniden waren weliswaar primitief, maar verder ontwikkeld dan hun protorothyridide voorouders. De schedel was veel sterker en het hersenkapsel was verankerd aan het schedeldak. De meervoudige rijen tanden op hun kaken werden gebruikt om taaie planten of schaaldieren mee te vermalen.

Captorhinida    
De captorhiniden, ook wel cotylosauriŽrs genoemd, zijn de vroegste en primitiefste reptielen. Ze ontstonden uit de amfibieŽn in het Laat-Carboon, zo'n driehonderd miljoen jaar geleden. Tegen het eind van de Trias, ongeveer negentig miljoen jaar later, waren ze alle uitgestorven. Uit deze groep ontwikkelden zich twee evolutionaire hoofdlijnen - ťťn die leidde tot de ontwikkeling van de zoogdieren en ťťn die leidde tot de grote reptielen.

Carcharodontosauridae    
De Carcharodontosauridae zijn een groep dinosauriŽrs vermoedelijk behorende tot de meeromvattende groep Carnosauria. Ernst Stromer benoemde in 1931 een familie Carcharodontosauridae om Carcharodontosaurus in onder te brengen. In 1998 werd voor het eerst een exacte definitie als klade gegeven door Paul Sereno die haar in 2005 nauwkeuriger maakte door de verankerende soorten aan te geven: de groep die bestaat uit Carcharodontosaurus saharicus en alle soorten nauwer verwant aan Carcharodontosaurus dan aan Allosaurus fragilis, Sinraptor dongi en de huismus (Passer domesticus). Dit laatste om te voorkomen dat naam waardeloos zou worden, mocht Carcharodontosaurus basaler blijken dan Allosaurus. De Carcharodontosauridae zijn nauw verwant aan de Allosauridae en de Sinraptoridae maar hun precieze verwantschappen binnen Carnosauria zijn erg onduidelijk; wellicht vormen de Carcharodonosauridae samen met de Sinraptoridae een zusterklade van Allosauridae binnen de Allosauroidea. De groep bestaat voor zover bekend uit reusachtige toppredatoren uit het Krijt.

Carnivora    
Katachtigen, civetachtigen, mangoesten, honden, beren, pandaīs, hermelijnen, wezels, otters, robben, zeeleeuwen en walrussen behoren allemaal tot de orde Carnivora. Het zijn allemaal vleeseters met ťťn overeenkomstig kenmerk - een aan het verwerken van vlees aangepast gebit met zogenaamde knipkiezen. Sommige leden van de Carnivora zoals de robben, eten slechts vis en hebben de speciale vleeseterskiezen verloren. Niet alle vleeseters behoren tot de Carnivora. De tandwalvissen, waartoe ook de orka, een geducht roofdier, behoort, zijn bijvoorbeeld geen echte carnivoren. De creodonten, een uitgestorven groep formidabele rovers, behoorden niet tot de Carnivora en de onverzadigbare carnivore dinosauriŽrs al evenmin. Omgekeerd eten lang niet alle vertegenwoordigers van de Carnivora uitsluitend vlees. Beren en dassen zijn bijvoorbeeld omnivoren die zich te goed doen aan zeer uiteenlopend plantaardig en dierlijk voedsel. Carnivoren hebben behalve knipkiezen ook scherpe snijtanden om een prooi vast te houden en grote, puntige hoektanden om een prooi te doden. De orde Carnivora is opgesplitst in twee suborden - de Fissipeda en de Pinnipedia. De suborde Fissipeda omvat de uitgestorven miaciden en de levende marterachtigen, beren, hondachtigen, hyena's, katachtigen en civetkatten. De suborde Pinnipedia ('vinvoetigen') omvat de robben, zeeleeuwen en walrussen. De carnivoren ontstonden tegen het einde van het Krijt of in het Vroeg-Palaeoceen, rond 65 miljoen jaar geleden, uit dezelfde voorouders als de insectivoren. Het bleef tot het Oligoceen (35 miljoen jaar geleden) een vrij onbeduidende groep. Hierna vervingen ze geleidelijk de creodonten, die tot dan toe de belangrijkste landroofdieren waren.

Carnosauria    
Tot de carnosauriŽrs, waarvan Tyrannosaurus de bekendste vertegenwoordiger is, behoren enkele van de grootste, terrestrische carnivoren die ooit hebben geleefd. Deze robuuste dieren beheersten het leven in de Jura en het Krijt. Hun kundigheid als roofdier staat echter ter discussie. Het is niet uigesloten dat de grootsten onder hen, zoals Tyrannosaurus en Tarbosaurus, deels aaseters waren. Mogelijk waren het meer de 'hyena's' onder de dinosauriŽrs dan de 'leeuwen'. Hun grootte maakte een langdurige achtervolging bij voorbaat onmogelijk. Wel kunnen zij prooien van uit hinderlagen overrompeld hebben. Behalve de heel grote waren er ook kleinere, lichter gebouwde en meer behendige carnosauriŽrs.

Caudofoveata    
De Caudofoveata is een kleine klasse binnen de Mollusca (weekdieren) en wordt vaak met de Solenogastres gecombineerd tot de Aplacophora. De Caudofoveata zijn kleine (1 tot 30 mm), primitieve diepzee weekdieren. Ze zijn wormachtig en zonder schaal of duidelijk gespierde voet. Ze hebben schubben en kalkhouden stekels voor de voortbeweging. Ze begraven zich zelf in het sediment en gaan voor de voeding verticaal liggen met hun bek open om organische drab op te nemen. Het vrouwtje legt eitjes die worden bevrucht en uitgebroed en daarna zwemmen de larven vrij rond. De groep bestaat uit zo'n 70 soorten.

Cephalaspidomorphi    
De Cephalaspidomorphi is een groep binnen de klasse Agnatha (kaakloze vissen). De groep wordt onderverdeeld in de Osteostraci, Anaspida en de Galeaspida. Leden van deze groep bezitten een massief inwendig en uitwendig kopschild. Maar ook de moderne prikken en slijmprikken zijn leden van deze groep.

Cephalopoda    
De Cephalopoda (koppotigen) of inktvissen vormen de meest ontwikkelde klasse van de weekdieren. Ze beschikken over goede ogen, grote hersenen en een uitstekende zwemtechniek. Het zenuwstelsel van de Cephalopoden is het ingewikkeldst van alle weekdieren. De kleinste soorten halen amper 1 cm, terwijl er in de diepzee inktvissen zijn aangetroffen van meer dan 20 meter lengte. De meeste inktvissen beschikken over een inwendige schelp; alleen de Nautilidae (verwant aan de fossiele ammonieten) hebben een uitwendige schelp. Wereldwijd komen er zoīn 800 soorten voor. Het zijn vrijwel allemaal rovers, die hun prooi met hun vangarmen bemachtigen en met hun "papegaaienbek" krabbenschilden en schedels van vissen kunnen doorbijten. Veel inktvissen (met name pijlinktvissen) bewegen zich voort door water met kracht uit hun lichaam te persen en er zijn soorten die op deze manier meer dan 10 meter door de lucht kunnen "vliegen". Inktvissen komen voor van ondiepe kustwateren tot in de onpeilbare diepten van de diepzee. Ze hebben speciale huidcellen waarmee ze van kleur kunnen veranderen en communiceren, en komen vooral 's nachts te voorschijn uit de diepzee of uit rotsspleten zoals de octopus. Twee belangrijke uitgestorven groepen binnen de Cephalopoda zijn de Ammonoidea (ammonieten) en de Belemnoidea (belemnieten). De eerste inktvissen ontstonden in het Cambrium en waren dominant gedurende het PalaeozoÔcum en het MesozoÔcum. De belemnieten en de moderne inktvissen zijn 425 miljoen jaar geleden ontstaan uit de Nautiloidea met uitwendige schelpen. Deze schelpen waren in het begin nog puntvormig maar later ontwikkelden zich vormen met gekrulde schelpen, zoals de ammonieten hadden.

Ceratomorpha    
Deze suborde van de onevenhoevigen omvat de tapirs en de neushoorns. De tapirs behoren tot de oudste onevenhoevigen. Ze verschenen in het Vroeg-Eoceen, ongeveer 55 miljoen jaar geleden, tegelijk met de chalicotheriiden en de paarden. Tapirs, robuuste, tropische bladeters met een korte slurf, hadden een groot verspreidingsgebied en kwamen voor in Europa, AziŽ en Noord-Amerika, maar tot betrekkelijk recent niet ten zuiden van de evenaar. Ze hielden stand in de warmere delen van de genoemde continenten tot het Laat-Pleistoceen, ongeveer tienduizend jaar geleden. Tapirs zijn evolutionair gezien erg conservatief. In 55 miljoen jaar zijn ze nauwelijks veranderd. Evenals de palaeotheriŽn ontwikkelden de tapirs een lichaamsvorm die geheel was aangepast aan het leven in dichte tropische bossen. Deze lichaamsvorm komt ook bij andere niet verwante groepen, zoals de pekari's of navelzwijnen en capibara's of waterzwijnen terug en was derhalve een succesvolle aanpassing.

Ceratopia    
De gehoornde Ceratopia waren de laatste groep ornithischiŽrs die zich ontwikkelden voor het massale uitsterven van de dinosauriŽrs aan het einde van het MesozoÔcum. Ze ontstonden laat in het Krijt en leefden slechts twintig miljoen jaar. In deze geologisch gezien, korte periode verspreidden ze zich over Noord-Amerika en Centraal-AziŽ. Het pantser van deze dinosauriŽrs beperkte zich tot de kop. De meer ontwikkelde vormen hadden een zware kop met een scherpe papegaaiachtige bek, lange puntige hoorns op de snuit en het voorhood en een groot kraagvormig nekschild dat de nek en vaak ook de schouders moest beschermen. Het succes van de gehoornde dinosauriŽrs is terug te voeren op hun efficiŽnte gebit en hun krachtige kaken. Ze waren in staat om zelfs de taaiste planten te eten, onder andere de aan het eind van het Krijt overal talrijke heesterachtige planten als Magnolia. De Ceratopia leefden waarschijnlijk in kudden in de hoog gelegen bossen waar zij aten van lage bomen en kruidachtige planten.

Ceratopidae    
De talrijkste grote herbivoren in het Laat-Krijt waren de gehoornde dinosauriŽrs, waarvan de verspreiding tot Noord-Amerika beperkt was. Deze viervoetige dieren hadden lange, scherpe hoorns op hun grote kop en de achterzijde van de schedel was uitgegeroeid tot een groot nekschild. Hierdoor waren ze goed beschermd tegen aanvallen van bipede carnosauriŽrs zoals Tyrannosaurus en Albertosaurus. Het bonkige lichaam, bedekt door en leerachtige huid, werd gedragen door zuilvormige poten met zware, gehoefde voeten. Ze trokken in grote foeragerende kudden door de hoog gelegen bossen en aten met hun scherpe, tandeloze bekken tal van planten. De familie Ceratopidae is op te splitsen in twee groepen. De ene groep omvat dieren met een kort nekschild en grote hoorns op de snuit, de andere groep omvat dieren met een lang nekschild en grote hoorns op het voorhoofd.

Ceratosauria    
De Ceratosauria vormen een hoofdonderverdeling van de Theropoda, vleesetende dinosauriŽrs. De naam is voor het eerst gebruikt door Othniel Charles Mars in 1884; het taxon, een infraorde, omvatte toen alleen de Ceratosauridae en als enkele soort Ceratosaurus. Een klade is in 1984 door Gauthier gedefinieerd als de groep die de laatste gemeenschappelijke voorouder van Coelophysis bauri en Ceratosaurus nasicornis bevat en al zijn afstammelingen. De klade is echter in 1989 door Rowe anders gedefinieerd, namelijk als de groep die Ceratosaurus nasicornis bevat en alle soorten die nauwer verwant zijn aan Ceratosaurus dan aan vogels. In 1990 maakten Gauthier en Rowe een variant op Gauthiers eerdere definitie: de groep bestaande uit de laatste gemeenschappelijke voorouder van Ceratosaurus nasicornis, Dilophosaurus wetherilli, Liliensternus liliensterni, Coelophysis bauri, Syntarsus rhodesiensis, Syntarsus kayentakatae, Segisaurus halli en Sarcosaurus woodi en al zijn afstammelingen. Thomas Holtz gaf in 1995 weer een definitie als stamklade met als ankerpunten Ceratosaurus en de vogels, net als de eerste definitie van Rowe. In 1998 gaf Paul Sereno een definitie verankerd op Coelophysis en de Neornithes. In 2005 kwam hij hierop terug omdat gebleken was dat Coelophysis, anders dan algemeen werd aangenomen, niet erg nauw aan de traditionele ceratosauriŽrs verwant was en gaf hij een exacte definitie met als verankerende soorten Ceratosaurus nasicornis en de huismus (Passer domesticus). De Ceratosauria stierven vermoedelijk uit in het late Krijt - in Zuid-Amerika zijn verschillende late vormen gevonden. De meeste soorten die wij kennen stammen echter uit de vroege Jura. De groep wordt vaak omschreven als "primitief"; zij had echter haar eigen specialisaties die vaak erg vogelachtig en dus in onze ogen geavanceerd aandoen.

Ceratosauridae    
Deze carnosauriŽrs werden gekenmerkt door het bezit vane een kleine hoorn op de snuit. Ze leefden tijdens de late Jura in Noord-Amerika en Oost-Afrika en waren tijdgenoten van de andere grote carnosauriŽrs. In vergelijking tot hun verwanten zijn er van deze dieren maar erg weinig resten gevonden.

Cetacea    
De walvissen, dolfijnen en bruinvissen zijn zodanig aan het leven in het water aangepast dat ze er hun hele leven kunnen slijten. Ze zijn het meest gespecialiseerd van alle zoogdieren. Het zijn dankzij hun slanke, gestroomlijnde, visachtige lichaam goede zwemmers. Aan land komen is er voor deze intelligente dieren evenwel niet meer bij. Een aantal typische zoogdierkenmerken, zoals warmbloedigheid, de ademhaling en het vermogen om de jongen te zogen, hebben ze behouden. Er zijn ongeveer 140 fossiele geslachten van de Cetacea bekend. De veertig nog levende geslachten komen in alle oceanen van de wereld voor en in de rivieren van Zuid-Amerika, India en China leeft een aantal zoetwaterdolfijnen. Veel moderne soorten worden echter met uitsterven bedreigd. De Cetacea ontwikkelden zich aan het begin van het Tertiair (65 miljoen jaar geleden) vermoedelijk uit de vroegste vertegenwoordigers van de hoefdieren. er worden drie suborden onderscheiden: de uitgestorven, primitieve oerwalvissen of Archaeoceti; de tandwalvissen of Odontoceti waartoe de bultrug, de dolfijnen en de bruinvissen behoren en de baleinwalvissen of Mysticeti. Tot de baleinwalvissen behoort het grootste zoogdier dat ooit leefde - de blauwe vinvis (Balaeonoptera musculus), die een lengte van 30 meter en een gewicht van 130 ton kan bereiken.

Cetiosauridae    
Deze vroege sauropoden kwamen in de Jura en het Krijt overal ter wereld voor. Hun naam, vrij vertaald 'walvishagedissen', refereert aan hun omvang en niet aan een aan water gebonden levenswijze. De cetiosauriŽrs bezitten twee primitieve kenmerken. In de eerste plaats de slechts weinig uitgeholde wervels, waardoor het lichaamsgewicht aanzienlijk moet zijn geweest. In de tweede plaats was de heupgordel slechts door middel van vier wervels met de ruggengraat verbonden.

Chalicotheriidae    
De chalicotheriiden hadden in plaats van hoeven grote klauwen aan hun poten en konden niet rennen. Uit onder andere het gebit leidt men af dat de ontwikkelde chalicotheriiden, zoals Chalicotherium uit het Mioceen van Europa, leefden in bossen en zich voedden met sappige bladeren van bomen en struiken. Tijdens het voedsel zoeken konden de dieren zich mogelijk op de achterpoten oprichten. Hoewel er maar weinig fossiele bewijzen voorhanden zijn, waren de chalicotheriiden waarschijnlijk meer dan vijftig miljoen jaar zeer succesvol. Dieren die op chalicotheriiden lijken, zijn afgebeeld op Siberische graftomben uit de vijfde eeuw voor Christus. Ook komen er uit Kenyaanse bossen nog steeds meldingen van waarnemingen van de zogenaamde Nandibeer. Dit dier zou de houding van een gorilla, langere voor- dan achterpoten, grote beerachtige klauwen en een paardachtige kop hebben. Op grond hiervan menen sommige wetenschappers dat de chalicotheriiden nog steeds leven.

Chelonia    
De schildpadden zijn de enige overlevende van deze prehistorische groep reptielen, de chelonia. Ze verschillen van alle andere reptielen doordat hun lichaam, behalve de kop, de poten en de staart, bedekt wort door een pantser. Als bescherming tegen roofdieren kunnen vele hun kop en hun poten onder het pantser trekken. Zelfs de oudste chelonia, daterend uit de Laat-Trias, hadden zo'n pantser. Onze hedendaagse schildpadden verschillen maar weinig van hun tweehonderd miljoen jaar geleden levende voorouders. Net als alle andere anapsiden hebben de chelonia een gesloten schedel zonder slaapvensters. Ze zijn voor het gemak bij de anapsiden ondergebracht, want hun bouw en levenswijze is zo verschillend van andere reptielen dat er veel voor te zeggen is omze onder te brengen in een eigen onderklasse (Testudinata). Alle 230 levende soorten schildpadden behoren tot de twee subordes die van elkaar verschilllen in de wijzen waarop de nek wordt teruggetrokken. Dit kan door de nek opzij te buigen (Pleurodira) of door de nek naar beneden te buigen (Cryptodira). De vertegenwoordigers van een derde suborde, de Proganochelydia, zijn nu allemaal uitgestorven. Zij worden echter beschouwd als de voorouders van de overige chelonia.

Chimaeriformes    
De Chimaeriformes, ofwel zeekatten, ofwel draakvissen hebben een langwerpig lichaam net een brede kop en een (soms zeer) lange, dunne staart. De eerste zeekatten verschenen rond het Vroeg-Devoon. De zeekatten onderscheiden zich van de haaien en roggen door het bezit van vier paar kieuwen en slechts ťťn kieuwspleet, die bedekt is met een kraakbenig kieuwdeksel. De bovenkaak is met het hersenkapsel vergroeid. In de onderkaak bevindt zich ten minste ťťn paar tandplaten, in de bovenkaak zijn echter twee paar aanwezig. De wervelkolom bezit geen wervellichamen. De borstvinnen zijn groot en krachtig. De eerste rugvin is hoog en kort en daarvoor staat de eerste rugvinstekel, die erg lang is. Daarentegen is de tweede rugvin laag en lang en de staartvin is erg klein. De buikvinnen van de mannetjes zijn omgevormd tot copulatieorganen voor de inwendige paring. De mannetjes hebben grijporganen aan de borst die ze tijdens de paring gebruiken. Tegenwoordig leven er zo'n 30 soorten zeekatten in 3 families. Ze leggen eieren in bruine hoornige capsules. Aan de basis van die eerste lange rugvinstekel bevindt zich gifklierweefsel.

Chiroptera    
De vleermuizen zijn de enige zoogdieren die echt kunnen vliegen. De voorpoten van deze dieren zijn veranderd in vleugels, die bestaan uit vier sterk verlengde vingers waartussen een vlieghuid is gespannen. Moderne vleermuizen zijn nachtdieren die obstakels, prooien en vijanden lokaliseren met behulp van echolokatie. De dieren zenden hoogfrequente geluiden uit die door objecten in de baan van de uitgezonden geluiden worden teruggekaatst en door de uiterst gevoelige oren van de vleerumizen worden opgevangen. Na analyse van de teruggekaatstse geluiden volgt er een reactie van de vleermuis. Dit natuurlijke radarsysteem vereiste geweldige aanpassingen van het strottenhoofd, neus, oren en hersenen. Hoe deze ontwikkeling in zijn werk is gegaan, is evenwel niet te achterhalen, omdat de betrokken lichaamsdelen niet fossiliseren. De Chiroptera worden verdeeld in twee suborden. De grootste is die van de vleermuizen of Microchiroptera met ongeveer 780 levende soorten. Ze worden met uitzondering van de poolstreken en de alpiene regionen overal ter wereld aangetroffen. Het zijn overwegend nachtdieren met kleine ogen en grote, complexe, zeer gevoelige oren. Veel soorten hebben gespecialiseerde neuzen die gebruikt worden voor echolokatie. De samenstelling van het gebit en de vorm van de tanden is afhankelijk van het voedsel. De meeste vleermuizen eten insekten die in de vlucht gepakt worden. Bij deze insekteneters hebben de kiezen uit de bovenkaak scherpe, w-vormige randen. Slechts enkele soorten zijn carnivoor. De ander suborde, de vliegende honden of Megachiroptera, omvat 170 levende soorten. Deze grote dieren met hun hondenkoppen komen voor in de tropische streken van Europa, Afrika en AziŽ. Ze missen de grote, complexe oren en de opvallende neuzen van de vleermuizen.

Choanata    
De orde Choanata omvat de longvissen (Dipnoi) en de viervoeters (Tetrapoda). Beide groepen hebben als gemeenschappelijk kenmerk de choanen. De choanen zijn de ovale openingen in de neus en keelholte, waarin de neusgangen uitmonden.

Chondrichthyes    
Haaien en hun verwanten de roggen, en de zeekatten gehoorden tot de eerste gewervelden die kaken en benige tanden ontwikkelden. Een ander gemeenschappelijk kenmerk van deze vissen was het skelet, dat volledig uit kraakbeen bestond. De groep van vissen wordt daarom aangeduidt met de naam kraakbeenvissen of Chondrichthyes. (De kaaklozen hadden ook een skelet van kraakbeen maar geen kaken.) Ter versteviging bevatte het kraakbeen van de kraakbeenvissen prismatische calciumcarbonaatkorrels die volgen een mozaÔekpatroon in de buitenste lagen van het kraakbeen waren gelegen, en was het omgeven door een dunne laag been. De vinnen bij de kraakbeenvissen zijn gepaard en verstevigd met vinstralen van kraakbeen. De buikvinnen waren bij de mannelijke dieren uitgegroeid tot penisachtige organen, die gebruikt werden bij de overdracht van sperma tijdens de copulatie - een uniek kenmerk van de kraakbeenvissen. De huid was door talrijke, tandvormige schubben zo ruw als schuurpapier. (Negentiende-eeuwse meubelmakers gebruikten haaiehuid - segrijn - om hout glad te maken.) De benige schubben werden net als de twee hoofdgroepen kraakbeenvissen ontwikkelde zich gedurende het Vroeg-Devoon, ongeveer vierhonderd miljoen jaar geleden, uit een gemeenschappelijke voorouder. Deze groepen, de plaatkieuwigen (Elasmobranchii) en de zeekatten (Holocephali) onderscheidden zich van elkaar door het gebit en de wijze van voedsel zoeken. Beide groepen hebben nog levende vertegenwoordigers.

Choristodera    
In het Vroeg-Krijt, ongeveer 140 miljoen jaar geleden, splitste zich van de hoofdontwikelingslijn van de diapsiden een groep af die bestond uit een mengelmoes van krokodilachtige reptielen. De Choristodera die leefden in de zoete wateren van Noord-Amerika, Europa en oostelijk AziŽ, stierven uit in het Eoceen, ongeveer vijftig miljoen jaar geleden.

Ciconiiformes    
Deze grote orde omvat de waadvogels, de zeevogels en de roofvogels. Al aan het einde van het Krijt waren er talrijke vormen die zich aan de meest uiteenlopende milieus hadden aangepast. Roofvogels zoals arenden waren vooral vanaf het Eoceen wijdverbreid.

Cladoselachida    
De Cladoselachida of oerhaaien behoren tot de kraakbeenvissen (Chondrichthyes). Het zijn uitgestorven haaiachtige vissen, die leefden gedurende het Devoon (zo'n 410-360 miljoen jaar geleden). Ze hadden een slank, torpedovormig lichaam met een huid zonder schubben en werden ongeveer 2 meter groot. Hun staart was inwendig asymmetrisch omdat de staartwervels in de staartvin naar boven zijn afgebogen, maar hij zag er van buiten symmetrisch uit. Deze dieren hadden typische tanden, met in het midden de belangrijkste hooggepunte tanden in het midden en laaggepunte tanden langs de zijkanten. Voor elke rugvin bevindt zich een grote stekel.

Claudiosauridae    
De claudiosauriŽrs waren mariene reptielen die zich ontwikkelden in het Laat-Perm. Hun classificatie is onduidelijk. Mogelijk representeren deze dieren een overgangsstadium tussen de op het land levende Euosuchia en de latere meer ontwikkelde in het water levende reptielen zoals de nothosauriŽrs en de plesiosauriŽrs. Tot op heden is er slechts ťťn geslacht van de Claudiosauridae bekend. Dit geslacht bstaat uit slechts ťťn soort - de semi-aquatische, hagedisachtige Claudiosaurus.

Climatiiformes    
De orde Climatiiformes is de oudste groep stekelhaaien (Acanthodii) en zou wel eens de vooroudergroep kunnen zijn van alle stekelhaaien. De Climatiiformes ontstonden in het Laat-Devoon en leefden voort tot aan het Vroeg-Carboon. In het algemeen zijn het kleine dieren, niet groter dan 15 cm. Ze hebben een uitgebreid pantser rond de schoudergordel en veel stekels. De stekels hebben een breed draagvlak en hebben een gekartelde rand. De tanden zijn bladvormig en zeer klein en worden niet gewisseld. De Climatiiformes bezitten ťťn grote kieuwdeksel of operculum en meerdere kleinere kieuwdeksels. Ze hebben 2 rugvinnen. Tussen de gepaarde borstvinnen en de gepaarde buikvinnen bevinden zich meerdere stekels. De borstplaten aan de huid zijn goed ontwikkeld.

Coelophysidae    
De eerste en meest primitieve groep kleine, carnivore theropoden waren de coelophysiden (ookwel podokesauriŽrs). Deze familie leefde van de late Trias tot in de vroege Jura, zo'n vijftig miljoen jaar. De coelophysiden verschilden weinig van hun voorouders, de thecodonten. Het waren snelle, actieve rovers die waarschijnlijk in groepen jaagden. Zij hadden lange halzen en renden op lange poten, de staart gestrekt voor het evenwicht. De armen waren korter dan de poten en werden gebruikt voor het grijpen van prooi en het naar de bek brengen van voedsel. De wigvormige kop had kaken die bezet waren met talrijke scherpe, puntige tanden.

Coeluridae    
Van de late Jura tot in het Vroeg-Krijt viel de bloeiperiode van Coeluridae. De levenswijze van deze dieren kwam overeen met die van de podokesauriŽrs - lichte, actieve jagers die rondrenden op lange poten en met hun sterke, geklauwde vingers prooien grepen. Het aantal vingers bij deze familie was gereduceerd tot drie.

Coelurosauravidae    
Er zijn geen fossiele vondsten van diapsiden uit het Midden-Perm bekend. Hoe de evolutie bij deze dieren in deze periode is verlopen, is niet bekend. Uit het Laat-Perm dateert een aantal vondsten van gespecialiseerde groepen waarvan de onderlinge verwantschap onduidelijk is. Een van deze groepen is de familie der Coelurosauravidae, bekend van een paar vertegenwoordigers uit Madagascar en Europa.

Coelurosauria    
De carnivore theropoden worden op basis van hun grootte traditioneel onderverdeeld in infraorden. De grote, robuuste roofdieren worden gerekend tot de carnosauriŽrs, de middelgrote vleeseters die aan iedere achterpoot een klauw hebben tot de deinonychosauriŽrs en de kleine, lichtgewicht jagers tot de coelurosariŽrs. De naam coelurosauriŽr betekent 'hagedis met de holle staart' en refereert aan de dunwandige, holle beenderen van deze dieren, die in het gehele lichaam voorkomen.

Coleoidea    
De onderklasse Coleoidea ofwel inktvissen is zo'n 350 miljoen jaar geleden ontstaan. Inktvissen zijn in het bezit van ťťn paar kieuwen en een gereduceerde of ontbrekende inwendige schelp. Zij komen enkel in zee voor en de meeste soorten leven vrijzwemmend. Tegenwoordig leven er nog ongeveer 650 soorten, maar het aantal uitgestorven soorten is groter. De inwendige, aan de rugzijde gelegen schelp is afgeleid van een uitwendige schelp, zoals andere weekdieren hebben. Oorspronkelijk is de schelp van inktvissen gekamerd; de kamers zijn deels met gas (voornamelijk stikstof) gevuld, zodat de dieren kunnen zweven. De hoeveelheid gas is regelbaar, waardoor het dier op verschillende diepten kan zweven. Door water met kracht uit de mantelholte te persen, bewegen de dieren zich in het water voort. De mantelholte is aan de buitenkant gelegen. Het water komt aan de zijkant van het lichaam de mantelholte binnen. Daarna worden mantel en trechter tegen elkaar gedrukt en wordt het water door spieren in de mantel via de trechter naar buiten gespoten, zodat het dier met de kop naar achter door het water schiet. De trechter is vaak zeer beweeglijk, zodat het dier ook wel met de kop naar voren kan zwemmen. In de mantelholte liggen de kieuwen. De meeste inktvissen zijn roofdieren en hun voedsel bestaat veelal uit krabben en mosselachtigen. Pijlinktvissen vangen ook vis. Het voedsel wordt fijngemaakt door een paar krachtige kaken, die de vorm van een papegaaiensnavel hebben. Een van de klieren die in de mondholte uitmonden, produceert gif, dat vrijkomt bij de beet. Inktvissen hebben een inktzak, een blindzak van de einddarm. De wand scheidt de inkt af. Bij gevaar wordt de inhoud via de anus (uitmondend in de mantelholte) naar buiten gebracht. De inkt biedt de roofvijand een schijnprooi aan, omdat de wolk als een fantoom in het water blijft staan; teven wordt het reukvermogen van de achtervolger door de inkt aangetast. Inktvissen kunnen van kleur veranderen door expansie of contractie van chromatoforen van verschillende kleur. Deze cellen bevatten rood, geel, bruin of blauw pigment. De dieren kunnen zich aanpassen aan de kleur van de ondergrond en vertonen ook kleurpatronen bij paringsgedrag en schrik. Het hoogontwikkelde zenuwstelsel (hersenen: concentratie van zenuwknopen) ligt geconcentreerd rond de slokdarm. Van de zintuigen zijn speciaal de ogen zeer goed ontwikkeld en tot beeldvorming op een netvlies in staat. Voor de voortplanting komen bij de mannetjes spermatozoÔden in pakketjes (spermatoforen) uit de geslachtsopening, die in de mantelholte ligt. Sommige soorten brengen deze spermatoforen op ťťn van hun armen die vervolgens in de mantelholte van het wijfje wordt gebracht.

Colosteidae    
De Colosteidae vormen een kleine groep van middelgrote tot grote, gedeeltelijk waterbewonende viseters met verlengde, aalachtige lichamen met tot aan veertig wervels in de nek en romp. De poten waren klein en veel soorten zullen dus waarschijnlijk hun gehele leven in het water hebben geleefd. De schedel en de onderkaak waren laag en plat. De Colosteidae worden als zeer primitieve leden van de Temnospondyli beschouwd. Van waar deze dieren afstammen is geheel niet zeker. Analyses naar de evolutionaire afstammingslijn met behulp van de computer plaatsen deze dieren dicht bij de Baphetidae. De rangschikking van de schedelbeenderen is echter zeer primitief en komt veel overeen met die van de Ichthyostegidae. De Colosteidae bestonden maar gedurende een korte tijd in het Vroeg-Carboon.

Columbiformes    
In vergelijking tot de vroegste vormen der Neornithes uit het Laat-Krijt zijn de moderne duiven maar weinig veranderd. Vooral tijdens het Pleistoceen ontwikkelden zich op warme, roofdiervrije eilanden, onder andere op de Mascarenen in de Indische Oceaan, verschillende grote, meest niet-vliegende vormen, als de Columbiformes.

Compositae    
De composietenfamilie (Compositae of Asteraceae: beide botanische namen zijn toegestaan), ook samengesteldbloemigen genoemd, is samen met de orchideeŽnfamilie de omvangrijkste plantenfamilie. Zij telt over de hele wereld gezien naar schatting wel 20.000 tot 25.000 soorten. In de tropen telt de familie ook bomen en lianen. Het belangrijkste kenmerk van deze familie vormen de sterk gereduceerde bloempjes. Deze staan bijeen in zogenaamde bloemhoofdjes, die vaak voor bloemen worden aangezien. De groene blaadjes die tegen deze bloemhoofdjes aanliggen zijn dan ook geen kelkbladen maar omwindselblaadjes.

Compsognathidae    
Tot op heden is er slechts ťťn zekere vertegenwoordiger van deze familie aangetroffen: Compsognathus. Het was een tijdgenoot van de Coeluridae, waarop dit dier qua bouw en levenwijze sterk leek. Mogelijkerwijs behoort Sinosauropteryx ook tot deze familie.

Conodonta    
De Conodonta waren een groep in zee levende dieren, die waarschijnlijk aan het eind van het Trias zijn uitgestorven. Het is lang niet duidelijk geweest waartoe deze dieren behoorden, omdat er alleen maar een soort tandjes van gevonden werden, maar in 2001 beschreven Sweet en Donoghue een fossiel van het hele diertje (Clydagnathus), daarbij inbegrepen resten van de weke delen van het lichaam. Het had een duidelijke notochord (ruggengraat) en waarschijnlijk zelfs ruggenwervels. Zij deelden het daarom in bij de Vertebrata. Conodonten bleken een vrij langgerekt lichaam te hebben dat eindigde in een duidelijke staartvin en aan de kop zat het kauwapparaat van de conodont. De 'tanden' waren al erg lang bekend. Zij komen zelfs in grote hoeveelheden voor en worden als gidsfossielen gebruikt om relatieve dateringen te doen (stratigrafie). Conodonten zijn bekend van het Midden-Cambrium tot de late Trias, mogelijk de vroege Jura, en hun vormenrijkdom en algemeen voorkomen (bij tienduizenden tegelijk) maakt het gemakkelijk de ouderdom van een aardlaag vrij snel bij benadering vast te stellen. Hoewel al in 1856 was gesuggereerd dat de tanden van visachtige dieren waren, werd toch eerder aangenomen dat het overblijfselen van een wormachtig dier waren. De vondst van Sweet en Donogue baarde dan ook vrij veel opzien. Er is nog wel enige onzekerheid over de grote 'ogen' aan het einde van de kop. Deze structuren werden door Sweet en Donohue inderdaad als ogen geÔnterpreteerd, maar sommige onderzoekers menen dat de eigenlijke ogen veel kleiner zijn en de uitpuiling aan de kop een onderdeel van het mondstelsel is.

Craniiformea    
Deze substam binnen de Brachiopoda beleefde in het Laat-Ordovicium hun hoogtepunt om daarna aan het eind van het Ordovicium door een ijstijd met grote getalen te worden verminderd. Ze bezitten een schaal van kalk en harde stukken calciet, zijn in tegenstelling tot de Linguliformea vastzittend en in tegenstelling tot de Rhynchonelliformea hebben ze geen complexe scharnieren tussen de kleppen.

Creodonta    
De creodonten waren gedurende het Vroeg-Tertiair, tussen zestig en dertig miljoen jaar geleden, overal ter wereld (Zuid-Amerika en AustraliŽ uitgezonderd) de dominante, vleesetende zoogdieren. Het was een zeer vormenrijke groep met vertegenwoordigers die zeer veel leken op de moderne carnivoren. In het Laat-Mioceen, ongeveer zeven miljoen jaar geleden, waren zij echter allemaal verdwenen. De creodonten verschilden van de moderne carnivoren door de kleinere hersenen, het ontbreken van een been dat het middenoor omsluit, een andere bouw van de voet (de polsbeentjes waren niet vergroeid en de klauwbeentjes hadden een groef) en een andere vorm van de knipkiezen. De ongeveer vijftig geslachten van de creodonten worden ondergebracht in twee families - de Oxyaenidae en de Hyaenodontidae.

Crocodylia    
De krokodillen zijn de enige nog levende archosauriŽrs en kunnen derhalve beschouwd worden als de succesvolste orde. De moderne vormen verschillen maar weinig van hun prehistorische verwanten die in de Midden-Trias, 230 miljoen jaar geleden, voor het eerst hun opwachting maakten. Krokodillen zijn waarschijnlijk ontstaan uit de Ornithosuchia. Hoewel de moderne krokodillen meer thuis zijn in het water dan op het land, zijn ze begonnen als kleine, op het land levende carnivoren. De lange, slanke achterpoten, heel anders dan de korte kruippoten van de moderne krokodillen, stelden de dieren in staat op twee poten te rennen. Alle krokodillen, zelfs de oudste, hebben lange, platte, zware schedels, aangepast aan het krachtige dichtslaan van hun verlengde kaken. De kaakspieren zijn achter aan de schedel aangehecht. Hierdoor kunnen de kaken ver geopend worden en kunnen de dieren grote prooien aan. Een nieuwtje was een tweede, benig verhemelte dat de neusgang van de mond scheidde. Hierdoor konden de dieren tegelijkertijd eten en ademen - zeer bruikbaar voor waterbewoners.

Crossopterygii    
Deze kleine orde omvat een aantal van de ongebruikelijkste vissen die bekend zijn, allemaal bijna uitsluitend uit het fossielenarchief. De leden van deze orde staan bekend als kwastvinnigen of lobvinnigen vanwege de ongebruikelijke vorm van hun vinnen. De staart bestaat uit drie lobben en het lichaam is bedekt met pantserachtige schubben. Hun skelet bestaat voornamelijk uit kraakbenen materiaal. Deze vissen hebben longen, maar die zijn ook zeer verkalkt dat ze geen functie hebben of alleen als opslagplaats voor vet. Deze dieren bezitten geen inwendige neusgaten, die vele andere prehistorische vissen wel bezaten. De Crossopterygii bestaat voornamelijk uit mariene vissen en er werd van gedacht dat alle leden van deze groep waren uitgestorven. Echter ťťn soort, de coelacanth, was in 1938 door een visser gevangen aan de kust van Afrika en in 1999 werd een afzonderlijke soort van de coelacanth in IndonesiŽ.

Crustacea    
De Crustacea, oftewel de kreeftachtigen vormen met zo'n 55 000 soorten een grote substam binnen de Arthropoda (geleedpotigen). Kreeften en krabben behoren tot de grootste dieren van deze substam; de meeste soorten zijn veel kleiner, zoals garnalen en zeepokken. Kreeftachtigen hebben een hard uitwendig pantser van chitine, dat bij kreeften en krabben veel kalk bevat. Als gevolg daarvan is het pantser nauwelijks rekbaar en is vervelling noodzakelijk om te kunnen groeien. Het lichaam bestaat uit kop, borststuk en achterlijf, hoewel kop en borststuk zijn vergroeid tot een kopborststuk. Aan de kop zitten twee paar korte antennes. Verder bezit het dier facetogen en een telson (staartschild), het achterste deeltje van het lijf dat niet als echt segment wordt beschouwd aangezien het geen aanhangsels bezit. De mond bestaat uit drie paar delen. Er zijn verschillende paren poten. De poten en het tweede paar antennes is geleed, het eerste paar niet. Kleine kreeftachtigen ademen door hun lichaamsoppervlak, door de celmembranen. De wat grotere vormen ademen door middel van kieuwen. Ze komen voor in zout en zoetwater en er zijn ook een aantal die op het land leven. De mannetjes en de vrouwtjes van de kreeftachtigen onderscheiden zich van elkaar door middel van de zwempoten of pleopoden. Het eerste paar pleopoden bij het mannetje is namelijk groter dan die bij het vrouwtje. Landkrabben keren terug naar de zee om hun eitjes te leggen. Het krabsvrouwtje blijft bij de eitjes tot ze uitkomen en de vrijzwemmende larven eruit komen. De kreeftachtigen worden minder vaak gefossilieerd aangetroffen dan de trilobieten. Er zijn een aantal typen die algemeen voorkomen in gesteente uit het Krijt en het KaenozoÔcum. De meeste kleine kreeftachtigen, zoals garnalen, hebben een wat teer uitwendig skelet waardoor hun fossielenarchief incompleet is. Maar van krabben en kreeften wordt veel meer gevonden omdat hun uitwendig skelet dikker is en bestaat uit calciumcarbonaat. Van zeepokken is weinig bekend uit het MesozoÔcum, maar er zijn goed geconserveerde fossielen van hen uit het Krijt en KaenozoÔcum.

Cryptodira    
De Cryptodira of halsbergers, waartoe de meeste recente schildpadden behoren, was de meest succesvolle groep van de chelonia. Veel soorten kunnen hun kop in het pantser verbergen door deze naar beneden en naar binnen te trekken. De halsbergers ontwikkelden zich in de Jura naast hun neven en nichten van de halswenders. Tegen het eind van deze periode waren ze enorm talrijk geworden en vervingen ze de halswenders in de zeeŽn, meren en rivieren van de wereld. Op het land ontstonden nieuwe vormen.

Cyamodontidae    
Deze groep placodonten hadden schildpadachtige pantsers op hun rug. Ze ontstonden in de Midden-Trias en leefden door tot het eind van deze periode. Deze placodonten waren al veel beter aan het waterleven angepast dan Placodus. Ze leken qua uiterlijk en levenswijze enigszins op de moderne schildpadden, maar waren in het geheel niet met ze verwant. Het is wel een mooi voorbeeld van convergente evolutie.

Cynodontia    
De cynodonten waren de meest succesvolle groep therapsiden. Zij leefden niet alleen het langst, ongeveer tachtig miljoen jaar (van het Laat-Perm tot de Midden-Jura), maar waren tevens de directe voorouders van de meest succesvolle, moderne diergroep - de zoogdieren. De eerste fossiele cynodonten werden gevonden in Europees Rusland en zuidelijk Afrika in gesteenten daterend uit het Laat-Perm. De dieren hadden verschillende zoogdierkenmerken, onder andere minder beentjes in de onderkaak, een secundair, benig verhemelte en goed ontwikkelde kronen op de kiezen. Dergelijke moderne kenmerken suggereren dat deze reptielen al veel eerder ontstaan moeten zijn, waarschijnlijk al in het Vroeg-Perm. Hun voorouders moeten vermoedelijk gezocht worden onder de carnivore, sphenacodonte pelycosauriŽrs. Hoewel er in de fossiele resten geen aanwijzingen voor zijn, is het goed mogelijk dat de cynodonten voor de isolatie van het lichaam vacht hadden, zodat zij een hoge lichaamstemperatuur konden handhaven.

Decapoda    
De Decapoda vormen de groep van tienpotige kreeftachtigen en bestaat uit de groepen kreeften, krabben en garnalen. De dieren hebben een grote carapax die zich over de gehele thorax uitstrekt. Bovendien is hij met de rugkant van dat borststuk volledig vergroeid, zodat kop en borststuk ťťn geheel vormen (kopborststuk of cephalothorax). Aan de zijkant vormt de carapax een grote plooi, waardoor een kamer ontstaat waarin de kieuwen liggen. Die kieuwen zijn aanhangsels van de thoraxpoten. Het achterlijf is vrij en als regel naar achteren gestrekt; bij de krabben is het echter tegen de onderkant van de thorax naar voren geklapt. Om te kunnen groeien moeten de decapoden eerst hun harde pantser afwerpen. Korte tijd hebben de dieren dan een zachte huid, die kan (mee)groeien. De dieren zijn in deze toestand zeer kwetsbaar. Decapoda zijn als regel van gescheiden geslacht. Alleen de garnalen vormen hierop een uitzondering. Zij veranderen van geslacht; ze beginnen als mannetjes en worden later vrouwtjes. Decapoden hebben aan de thorax drie paar poten die in dienst staan van de voedselopname en daarachter vijf paar poten, die als looppoten (pereiopoden) kunnen dienen. Van die looppoten is ten minste ťťn paar van scharen voorzien. Het potenpaar van het laatste achterlijfssegment (uropoden) vormt met het telson een staartwaaier, behalve bij de krabben die een nogal gereduceerd achterlijf hebben. Aan het achterlijf bevinden zich de zwempoten (pleopoden). Er is echter een beperkt aantal crustaceŽn waarbij de pleopoden als zwempoten worden gebruikt.

Deinonychosauria    
De infraorde Deinonychosauria neemt binnen de orde Theropoda qua bouw de intermediaire positie in tussen de coelurosauriŽrs en de carnosauriŽrs. Ze hadden de lichte lichaamsbouw van de coelurosauriŽrs en de grote kop van de carnosauriŽrs.

Deinotherioidea    
De deinotheriŽn waren zeer grote slurfdieren met naar beneden gebogen slagtanden in de onderkaak. Ze ontstonden in Afrika tijdens het Vroeg-Mioceen en verspreidden zich al gauw over Centraal- en Zuid-Europa en zuidelijk AziŽ. Ze leefden, vrijwel ongewijzigd tot in het Plioceen, toen ze zich terugtrokken in Afrika. Ongeveer twee miljoen jaar geleden stierven ze uit.

Dermoptera    
Van de huidvliegers komen nog twee soorten voor. Beide vegetarische soorten behoren tot het geslacht Cynocephalus (vliegende katten) en leven in Zuidoost-AziŽ. Deze moderne dieren, minder dan 30 cm lang, zweven op uitgestrekte huidflappen van boom naar boom en kunnen een afstand van maximaal 137 meter overbruggen. Men verondersteld dat de Midden-Palaeocene en Vroeg-Eocene soorten dit ook konden. Er zijn enkele aanwijzingen dat de huidvliegers verwant zijn met de vleermuizen, de toepaja's en de primaten en dat zij zijn ontstaan uit dezelfde voorouders als de insektivoren. Dit is echter niet zeker. Het kan ook zijn dat de overeenkomsten tussen deze groepen een gevolg zijn van convergente evolutie.

Desmatophocidae    
De desmatophociden vormden een familie van primitieve zeeleeuwen. Oppervlakkig leken deze dieren op de robben (de Phocidae), omdat zij dezelfde aanpassingen aan een overeenkomstige levenswijze hadden ontwikkeld. De robben en zeeleeuwen verschillen echter van elkaar in de bouw van de achterpoten. Zeeleeuwen, pelsrobben en walrussen kunnen hun achterste paar flippers naar voren brengen, zodat ze zich beter kunnen voort bewegen op land. De echte robben kunnen dit niet.

Desmostylia    
De orde Desmostylia omvatte een aantal vreemdsoortige, in het water levende zoogdieren, die wel wat weg hadden van in zee levende paarden. Deze dieren, ter grootte van een pony, leefden tijdens het Mioceen, tussen vijfentwintig en vijf miljoen jaar geleden, langs de kusten van de noordelijke Stille Oceaan. De vondst van een fossiel langs de kust van Florida wijst er op dat de Desmostyla via de nauwe zeestraat tussen Noord- en Zuid-Amerika naar de Atlantische Oceaan zijn getrokken. De oorsprong, verwantschappen en het dieet van deze dieren blijven echter een raadsel.

Diadectomorpha    
De Diadectomorpha bestaat uit een groep fossielen die een mengeling van amfibie- en reptielkenmerken en zijn daarom moeilijk bij een van beide groepen onder te brengen. Paleontologen zijn het er wel overeens dat het vermoedelijk gespecialiseerde, op het landlevende amfibieŽn waren. De familie bestaat slechts uit ťťn geslacht: Diadectes

Diapsida    
De meeste, moderne reptielen behoren tot de diapsiden, een oeroude groep die voor het eerst verscheen in het Laat-Carboon, zo'n driehonderd miljoen jaar geleden. Deze dieren hebben in de schedel achter het oog aan beide zijden twee openingen, zogenaamde slaapvensters. De kaakspieren waren vastgehecht aan zogenaamde ligamenten, die de slaapvensters bedekten. Door deze constructie was de werking van de kaken krachtiger en konden de dieren grotere prooien aan. De diapsiden zijn niet alleen een oude, maar in evolutionaire zin ook een belangrijke groep. Het zijn de voorouders van de meeste moderne reptielen (hagedissen, slangen en brughagedissen) en van de grote landreptielen (de uitgestorven dinosauriŽrs en pterosauriŽrs, en de moderne krokodillen).

Dicotyledoneae    
De naam tweezaadlobbigen (of "dicotylen") wordt traditioneel gebruikt voor een groep planten die samen met de "eenzaadlobbigen" (of "monocotylen") de bloemplanten of bedektzadigen vormen. Bij veel van de "tweezaadlobbigen" bevinden zich per zaad twee zaadlobben (of "cotylen"), waarin het reservevoedsel, nodig voor de kieming en eerste groei, zit opgeslagen. Bij meer dan de helft van de "monocotylen" is er ťťn zaadlob per zaad. In enkele classificatiesystemen wordt deze groep niet meer erkend en bestaat daar onder de naam Eudicotyledoneae. De nieuwe groep van de "eudicots" is een deelgroep van de oude Dicotyledoneae, en vormt in feite de meerderheid van de oude groep. Bij tweezaadlobbigen vormt de kiemwortel de hoofdwortel. Door vertakking van de hoofdwortel worden zijwortels gevormd. Door verdere vertakking van de zijwortels ontstaat een wortelgestel. Ook kan bij tweezaadlobbigen secundaire diktegroei optreden. Zo worden bij bomen de wortels dik en verhouten deze sterk.

Dicynodontia    
De dicynodonten waren de meest succesvolle en meest verbreidde groep herbivore therapsiden of zoogdierachtige reptielen. Ze ontstonden in het Laat-Perm en leefden tot het eind van het Trias, een periode van bijna vijftig miljoen jaar. De enige groep therapsiden die het lager volhield, was die der cynodonten - de directe voorouders van de zoogdieren. De basis voor hun succes waren de hoogontwikkelde schedel en kaken. De synapside slaapvensters achter de oogkassen waren zeer groot, zodat er veel ruimte was voor zware kaakspieren. De ophanging van de onderkaak aan de schedel was zodanig dat de kaken naar voren en achteren bewongen konden worden met als resultaat efficiŽnter kauwen. Het gebit van deze dieren was uniek.

Didolodontidae    
De systematische positie van deze lang levende familie is onduidelijk. De ene deskundige rekent ze tot de vroege hoefdieren uit de orde Arctocyonia en de andere deelt ze in bij de litopternen. Het is misschien het beste om deze familie als een overgansstadium tussen beide groepen te beschouwen. De eerste fossielen van deze dieren stammen uit het Palaeoceen, zestig miljoen jaar geleden, en in Midden-Miocene afzettingen, vijftig miljoen jaar later, worden ze nog steeds aangetroffen.

Dinocerata    
De naam Dinocerata refereert aan de drie paar hoornvormige uitsteeksels die deze dieren op hun kop hadden. Vooral de mannetjes waren uitgerust met een paar lange, bovenste hoektanden. Dinoceraten waren grote, neushoornachtige zoogdieren uit het Laat-Palaeocene en Eocene Noord-Amerika en AziŽ. Over de afstamming en ontwikkeling van deze dieren tast men nog in het duister.

Dinosauria    
De eerste vondsten van fossiele dinosauriŽrbeenderen werden gedaan in gesteenten in Zuid-Engeland. Ze behoorden tot de enorme vleesetende Megalosaurus en de reusachtige herbivore Iguanodon. De eerste beschrijvingen van deze beenderen verschenen in 1824 en 1825. Het duurde echter meer dan tien jaar alvorens men zich realiseerde dat het de beenderen waren van een totaal andere, uitgestorven groep reptielen. Het was de beroemde Engelse anotoom sir Richard Owen, de stichter van het British Museum of Natural History, die deze ontdekking deed. Hij gaf de dieren de naam Dinosauria, dat zoveel als 'verschrikkelijke hagedissen' betekent. In de halve eeuw die volgde, werden overal in Europa en Noord-Amerika dinosauriŽrs gevonden. Er werden verschillende classificatiesystemen bedacht, maar er moest opnieuw een Engels anatoom, Harry Seeley, aan te pas komen om orde in de chaos te scheppen. Hij ontdekte dat er binnen de groep van de dinosauriŽrs twee typen heupgordels voorkwamen. Bij sommige dinosauriŽrs had de heupgordel de normale reptielenbouw. Deze groep noemde hij de Saurischia (= met reptielenheup). Bij andere dinosauriŽrs had de heupgordel dezelfde bouw als bij moderne vogels. Deze groep noemde Seeley de Ornithischia (= met vogelheup). Beide groepen hebben zich onafhankelijk uit de thecodonten ontwikkeld. Het is echter niet uitgesloten dat de ornithischiŽrs uit een vroege saurischiŽr ontstaan zijn. In 1835 werden in Triassische gesteenten in Connecticut Valley (Noord-Amerika) pootafdrukken gevonden van tweebenige dieren die 220 miljoen jaar geleden over de aarde liepen. De pootafdrukken werden in 1848 door Edward Hitchcock, professor in de theologie en geologie beschreven als de pootafdrukken an enorme vogels. De eerste beschrijving van dinosauriŽrbeenderen in Noord-Amerika dateert uit 1856, toen dr. Joseph Leidy van de Academy of Natural Science in Philadelphia een aantal tanden beschreef. Twee jaar later beschreef hij het eerste skelet van een Noordamerkikaanse dinosauriŽr die hij Hadrosaurus noemde. Korte tijd later werd de enorme rijkdom aan fossiele dinosauriŽrs in de Jurassische en de Krijt-afzettingen in het Midden-Westen (meer dan 65 miljoen jaar oud) blootgelegd. Deze ontdekking was het gevolg van de rivaliteit tussen twee vooraanstaande paleontologen - Othniel Charles Marsh, die gefinancierd werd door zijn filantrope oom George Peabody, en Edward Drinker Cope, verbonden aan de Academy of Natural Science in Philadelphia. De eerste grote beenderen van dinosauriŽrs uit de late Jura (ongeveer 150 miljoen jaar oud) werden in 1877 gevonden in de Morisonformaties van Colorado en Wyoming. Zowel Marsh als Cope kregen enkele exemplaren in handen en de 'dinosauriŽroorlog' ontbrandde. Rivaliserende expedities werden uitgezonden om naar de mooiste exemplaren te zoeken. Marsh financierde een zes jaar durende opgraving bij Como Bluff in Wyoming, waarbij vele tonnen aan beenderen werden blootgelegd. Cope op zijn beurt, zond eveneens expedities uit naar Wyoming, maar ook naar vindplaatsen in Colorado. Beide heren zijn verantwoordelijk voor de vondsten van de inmiddels wereldberoemde dinosauriŽrs uit deze Laat-Jurassische gesteenten. De grootste schatkamer van dinosauriŽrs werd evenwel aangetroffen in Laat-CretaceÔsche gesteenten in Montana en Colorado. Dze gesteenten werden afgezet aan het eind van het MesozoÔcum, tussen 100 en 65 miljoen jaar geleden. Opnieuw is het te danken aan de rivaliteit tussen Marsh en Cope dat vele reeds lang uitgesotrven dieren zoals Ornithomimus, Nodosaurus en Triceratops werden blootgelegd. Canada heeft ook een forse bijdrage geleverd aan de voorraad dinosauriŽrs in de musea van de wereld. De Laat-CretaceÔsche afzettingen in de Red Deer River Valley, Alberta, werde gezamenlijk onderzocht door medewerkers van het American Museum of Natural History in New York, het National Museum of Canada en het Royal Ontario Museum. In dze afzettingen werden vooral tussen 1910 en 1917 talrijke dinosauriŽrs gevonden. Een andere rijke vindplaats van dinosauriŽrs lag in de Gobi-woestijn in MongoliŽ, Centraal-AziŽ. Het gebied werd tussen 1922 en 1925 onderzocht door medewerkers van het American Museum of Natural History. Men was in feite op zoek naar menselijke fossielen, maar men vond dinosauriŽrs. Op het zuidelijk halfrond zijn dinosauriŽrs aangetroffen in Zuid-Amerika, Afrika, AustraliŽ en zelfs Nieuw-Zeeland, maar tot op heden waren de vondsten niet van een rijkdom die vergelijkbaar was met die op het noordelijk halfrond. De beste vindplaats op het zuidelijk halfrond is vermoedelijk die van Tendaguru in Tanzania in Oost-Afrika. De vondsten die hier zijn gedaan, zijn qua omvang vergelijkbaar met de vondsten in de Morrisonformaties in het westen van de VS. Een andere Afrikaanse vindplaats, ten zuiden van de Sahara in Niger, werd ontdekt in 1987 en is erg veelbelovend. Hoewel de dinosauriŽrs van het zuidelijk halfrond veel minder bekend zijn dan die van het Noordelijk halfrond, bestaat er weinig twijfel over dat deze even vormenrijk waren. Zowel de saurischiŽrs als de ornithischiŽrs kwamen tijdens de Trias tot ontwikkeling, een periode waarin de continenten van de wereld verenigd waren in het supercontinent Pangaea. Landdieren konden zich in deze tijd over de gehele wereld verspreiden. Ook in de Jura bestonden nog verbindingen tussen de continenten. Pas in het late Krijt zijn er bewijzen voor verschillende geÔsoleerde dinosauriŽrfauna's. Op het noordelijk halfrond waren toen twee grote landmassa's - Euramerika en Asiamerika. Om de een of andere reden ontwikkelden de meeste nieuwe dinosauriŽrs zich in Asiamerika. De hadrosauriŽrs, de ornithomimiden, de saurornithoiden, de tyrannosauriŽrs en de protoceratopiden ontstonden allemaal op dit continent. Een gevolg hiervan was dat de oudere typen zoals de iguanodonten in Euramerika, door het ontbreken van concurrente met modernere vormen, een veel langer leven beschoren waren. Er zijn tot op heden zo'n driehonderd geslachten beschreven. Hiervan behoort 55 procent tot de vormen met een reptielbekken, de overige 45 procent tot de vormen met een vogelbekken. Slechts zeven procent van de vondsten is afkomstig uit Triassische afzettingen, 28 procent is aangetroffen in Jurassische afzettingen en 65 procent in afzettingen uit het Krijt. De vondsten uit het Krijt zijn geconcentreerd in het Laat-Krijt (75 procent). Aan het begin van het late Krijt ondergingen de bedektzadige planten een explosieve ontwikkeling, waarbij er talrijke nieuwe vormen ontstonden, aangepast aan de meest uiteenlopende milieus. Deze nieuwe voedselbron kan geleid hebben tot de ontwikkeling van nieuwe typen dinosauriŽrs. Biologen hebben lange tijd aangenomen dat dinosauriŽrs net als de hedendaagse reptielen en amfibieŽn, koudbloedig of ectotherm waren. Tegenwoordig zijn veel paleontologen van mening dat ze waarschijnlijk warmbloedig of endotherm waren. Niet alle paleontologen zijn hier echter van overtuigd. Als we de verhouding van de hoeveelheid benodigd voedsel tot het volume van het dier zouden doortrekken van de tegenwoordige warmbloedige zoogdieren naar een dinosauriŽr van de grootte van Brachiosaurus, dan zou Brachiosaurus meer dan 24 uur per dag hebben moeten eten om de benodigde energie te vergaren om op temperatuur te blijven, een onmogelijkheid dus. Maar de oppervlakte-volume-verhouding van het lichaam van zo'n dinosauriŽr is veel kleiner dan die van een zoogdier, waardoor een grote dinosauriŽr veel minder gauw zijn warmte verliest. Zoogdieren en vogels bewaren hun lichaamswarmte door zich te isoleren met haren, een vetlaag of met veren. De grote dinosauriŽrs doen dit door het volume van hun lichaam sterk te vergroten. De mogelijkheid dat kleine dinosauriŽrs een verenkleed hebben gehad mag niet worden uitgesloten. Paleontologen hebben in de laatste jaren zeer veel argumenten kunnen aanvoeren voor de warmbloedigheid van dinosauriŽrs, zoals onder meer de structuur van de botten, die dezelfde is als die van warmbloedige zoogdieren en volledig anders dan die van de koudbloedige dieren. Warmbloedige roofdieren hebben tienmaal zoveel prooi nodig als koudbloedige roofdieren. Ook de verhouding van het aantal roofdieren tot aantal prooidieren is bij de dinosauriŽrs dezelfde als bij de warmbloedige dieren en veel kleiner dan bij de hedendaagse koudbloedige dieren. Tenslotte wijst de lichaamsbouw van dinosauriŽrs erop dat ze tot langdurige grote activiteit in staat moeten zijn geweest. Een vergelijkbare lichaamsbouw vinden we alleen bij warmbloedige dieren. Het verdwijnen van de dinosauriŽrs over de hele wereld aan het einde van het Krijt heeft al vele decennia lang de gemoederen onder de geologen beziggehouden. Niet alleen op het land levende gewervelde dieren stierven uit, zoals de dinosauriŽrs en de vliegende pterosauriŽrs, maar ook mariene gewervelde dieren zoals de maashagedissen en de plesiosauriŽrs. Niet minder opvallend is het uitsterven van vele groepen ongewervelde zeedieren, onder meer de ammonieten, vele tweekleppigen en slakken, vele brachiopoden, en vele planktonische organismen. bij deze planktonische organismen kan worden aagetoond dat het uisterven zeer plotseling is gegaan. Hun plotselinge verdwijnen valt samen met een dun gesteentelaagje dat sterk verrijkt is met zeldzame metalen, onder andere iridium, osmium en rhodium. Dit verrijkte laagje heeft men op vijftig verschillende plaatsen op aarde kunnen aantonen, verdeeld over alle continenten en op de bodem van alle oceanen. De Amerikaanse geologen Luis en Walter Alvarez hebben er op gewezen dat dezelfde metalen in grote hoeveelheden en in dezelfde verhouding voorkomen in meteorieten. Zij veronderstellen dat de aarde aan het einde van het Krijt werd getroffen door een enorme meteoriet die een doorsnee moet hebben gehad van ongeveer 10 kilometer. Door de inslag werd een geweldige hoeveelheid stof de stratosfeer in geslingerd die er voor zorgde dat de zon voor enkele maanden werd verduisterd. Het neerdwarrelende stof zou over de gehele wereld het dunne iridiumhoudende laagje hebben afgezet. De verduistering moet lang genoeg geduurd hebben om de landplanten en het plankton in de zee dood te laten gaan, waardoor de voedselketen dusdanig zou zin verstoord dat een groot aantal diergroepen van de aardbodem verdween. De meeste landplanten hebben door zaden en nog levende wortels de verduistering kunnen overleven, maar voor de dinosauriŽrs, die toch al tegen het einde van het Krijt tanende waren, was dit de doodsteek. Geologen, opgeleid met de leer van het actualisme en met het idee dat alle ontwikkelingen geleidelijk zijn verlopen, zullen plotselinge gebeurtenissen als deze zeker niet aan een catastrofe willen toeschrijven als die gebeurtenissen ook op een andere manier zouden kunnen worden verklaard. Recente onderzoekingen hebben echter steeds meer argumenten tegen de theorie van Alvarez kunnen ontzenuwen. Men heeft kunnen aantonen dat het uitsterven van de dinosauriŽrs op het land in hetzelfde korte tijdsbestek heeft plaatsgevonden als het uitsterven van de organismen in de zee.

Diplodocidae    
De diplodociden waren dinosauriŽrs met enorm lange halzen en nog langere staarten. Lijf en poten waren slank en de kop was klein. In vergelijking tot de verwante brachiosauriŽrs waren deze enorme planteneters lichtgewichten. Dit werd veroorzaakt door de reductie van de wervels tot een complex lattenwerk van beenstutten. Ook hier werden de botten gevuld met een uigebreid luchtzaksysteem, dat in verbinding stond met de luchtwegen en als een koelsysteem fungeerde. Vertegenwoordigers van de Diplodocidae kwamen in de late Jura en het Vroeg-Krijt overal ter wereld in grote getale voor. Aan het einde van het Vroeg-Krijt verloor de groep belangrijk aan betekenis en werd nog slechts vertegenwoordigd door een klein aantal Oostafrikaanse soorten.

Dipnoi    
De Dipnoi of longvissen verschenen voor het eerst in het vroege Devoon. Oorspronkelijk leefden ze in zee en koloniseerden het zoete water pas in het Carboon. Nu komen er nog drie geslachten van hoog gespecialiseerde zoetwatervissen voor - de Australische longvis (Neoceratodus), de Afrikaanse longvissen (Protopterus) en de Amazonelongvis (Lepidosiren). De Afrikaanse en Zuidamerikaanse soorten leven in tropische gebieden die gevoelig zijn voor droogte. Als het waterpeil sterk daalt of de waterstroom stagneert, schakelen deze vissen over van de gebruikelijk kieuwademhaling op het happen van lucht aan het wateroppervlak. De lucht wordt opgezogen door de uitweindige neusgaten die ter weerszijden van de bek zitten. Via de inwendige neusgaten in het monddak komt de lucht terecht in de twee longen (bij de Australische longvis slechts ťťn), die verbonden zijn met de keelholte. Fossiele longvissen hadden eveneens inwendige neusgaten en ook zij konden in tijden van nood dus lucht ademen. Fossiele longvissen konden, net als sommige moderne verwanten, de droge perioden buiten het water overleven door zich in te graven in de modder. Omdat ze gepaarde vinnen hadden en lucht ademden, werden ze in verband gebracht met de vertebraten die het land op gingen, maar inmiddels weten we dat ze daarmee niet verwant zijn.

Diprotodontidae    
Deze hoofdgroep van de Australische buideldieren omvat voornamelijk herbivoren. De diprotodonten hebben een enkel paar naar voren wijzende, onderste snijtanden en ťťn tot drie paar bovenste snijtanden. De hoektanden ontbreken en de snijtanden zijn van de kiezen gescheiden door een grote ruimte (diasteem). De tweede en derde teen van elke achterpoot zijn erg klein en omgeven door een huidplooi. Ze werden gebruikt bij het poetsen. Tot de levende verwanten van de diprotodonten behoren de koalaberen, de kangoeroes, de klimbuideldieren en de wombatten.

Dissorophidae    
De dissorophiden vormen een gevarieerde groep van temnospondylen die wat later in het Laat-Carboon ontstonden dan de eryopiden. Ze stierven in de Vroeg-Trias uit. Veel leden van deze familie waren volledig aan het leven op het land aangepast. Ze bereikten hun hoogtepunt tijdens het vroege Perm. In die periode was op het Euramerikaanse continent een klimaatverandering opgetreden. Het warme, vochtige klimaat van het Carboon maakte plaats voor wat drogere omstandigheden. De dissorophiden wisten zich snel aan deze veranderende omstandigheden aan te passen.

Dromaeosauridae    
De vertegenwoordigers van deze familie behoorden ongetwijfeld tot de meest angstaanjagende roofdieren uit het Krijt van Noord-Amerika en AziŽ. Het zijn naast de TroŲdontidae de enige vertegenwoordigers van de infraorde Deinonychosauria. Hoewel niet groter dan veel andere vleesetende dieren uit die periode, waren de Dromaeosauridae geweldige rovers. Ze waren toegerust met een dodelijk wapen - een grote sikkelvormige klauw op de tweede teen van elke voet. Verder hadden ze scherpe tanden en geklauwde grijphanden. De hersenen waren groot en ze waren waarschijnlijk intelligent genoeg om in groepen te jagen.

Dryolestidae    
De familie Dryolestidae is vermoedelijk een afsplitsing van de hoofdontwikkelingslijn van de pantotheren, die uiteindelijk leidde naar de moderne zoogdieren. De Dryolestidae zijn slechts bekend van enkele tanden en kaakbeenderen, die overigens aantonen dat deze groep al beschikte over het moderne kaakgewricht van zoogdieren. Drie beentjes die bij reptielen nog onderdeel uitmaakten van de onderkaak, waren bij deze dieren geÔncorporeerd in het middenoor en vormden de reeks hamer, aambeeld, stijgbeugel. Via deze beentjes werden trillingen doorgegeven aan het binnenoor.

Edentata    
De hedendaagse vertegenwoordigers van de Edentata of tandarmen zijn de miereneters, de luiaards en de gordeldieren. De dieren uit deze groep hebben slechts weinig tanden. De miereneters hebben zelfs helemaal geen tanden. Onder de tandarmen kot een aantal zeer bizarre dieren voor. Hiertoe kunnen we behalve levende dieren als de miereneters met hun lange snuit, de gordeldieren met hun flexibele huidpantser en de zeer trage luiaards ook een aantal uigestorven vormen rekenen. Hiertoe behoorden de in het Pleistocene Noord- en Zuid-Amerika levende reuzenpantserdieren met hun solide, onbeweeglijke pantsers en de reuzenluiaards die tot 1,8 meter hoog konden worden. De miereneters en de gordeldieren zijn sterk aangepast aan het eten van termieten en mieren. De reuzenpantserdieren, de grond- of reuzenluiaards en de luiaards zijn vegetariŽrs. De oorsprong van de tandarmen is evenals hun verwantschappen met andere dieren niet bekend. Of ze allemaal ontstaan zijn uit ťťn voorouder of uit verschillende groepen is een punt van discussie.

Elasmobranchii    
De Elasmobranchii of Plaatkieuwigen - haaien en roggen - onstonden uit een gemeenschappelijke voorouder in het Vroeg-Devoon, zo'n vierhonderd miljoen jaar geleden. In de zeer lange periode tot heden zijn de haaien maar weinig veranderd. Tijdens het Carboon nam het aantal vormen sterk toe. Na een korte periode van teruggang ontstonden in de Jura de moderne groepen. Net als nu waren de haaien ook toen al de overheersende roofvissen in de zeeŽn. Andere dieren - reptielen als ichthyosauriŽrs en plesiosauriŽrs - die ook een visetend bestaan in zee wilden opbouwen, werden door hen verdrongen. De roggen en zaagvissen ontstonden in de Vroeg-Jura, tweehonderd miljoen jaar na de haaien. Het zijn in feite afgeplatte, aan een leven op de zeebodem aangepaste haaien.

Elephantidae    
De dieren uit deze familie, waartoe ook de moderne olifanten behoren, verschillen van de mastodonten in de vorm van hun tanden. Echte olifanten hebben geen slagtanden op hun onderkaak en hierdoor konden zij op een andere manier kauwen. Mastodonten verkauwden hun voedsel door het maken van een rondgaande kauwbeweging. Olifanten verknippen hun voedsel. Deze andere wijze van kauwen had uiteraard ook invloed op de vorm van de kiezen. Deze zijn groter met een langer, complexer, geŽmailleerd kauwoppervlak. Bij veel soorten is slechts ťťn maalkies per kaakhelft per keer in gebruik. Elke kies bestond uit een reeks van twintig dwarse lussen gegroefd email, opgevuld met het zachtere dentine en van elkaar gescheiden door dunnen banden tandcement. Het kauwoppervlak is bijna vlak en opgebouwd uit het harde calciumfosfaat, geschikt voor het kauwen van grassen die kiezelzuren bevatten. Zodra een kies versleten was, werd deze vervangen door een nieuwe. Verschillende vertegenwoordigers van deze familie overleefden de IJstijd, maar stierven kort hierna als gevolg van overbejaging toch uit. Onder de uitgestorven soorten vinden we de Europese woudolifant Elephas antiquus (Palaeoloxodon antiquus), dwergvormen zoals de dwergolifant Elephas falconeri (Palaeoloxodon falconeri) die leefde op de eilanden in het mediterrane gebied en twee mammoeten, de toendramammoet (Mammuthus primigenius) en Mammuthus jeffersoni. Hun verre neef, de Amerikaanse mastodont Mammut americanum, stierf in dezelfde tijd uit. er komen heden ten dage nog twee soorten voor - de Afrikaanse en de Indische olifant.

Elephantoidea    
Deze suborde van slurfdieren bestaat uit drie families: twee families mastodonten (Gomphotheriidae en Mammutidae) en ťťn familie die de moderne olifanten en de mammoeten omvat (Elephantidae).

Embrithopoda    
De orde Embrithopoda omvat slechts ťťn familie: de neushoornachtige Arsinotheriidae. De Embrithopoda passen eigenlijk nergens in het evolutionaire systeem en hebben ook geen fossiele voorouders of afstammelingen. Op grond van overeenkomsten in de kleine, eenvoudige hersenen neemt men aan dat ze mogelijk ver verwant zijn aan de olifanten, de klipdasachtigen of de zeekoeien.

Enaliarctidae    
De enaliarctiden waren de eerste otarioiden en de voorouders van de hedendaagse zeeleeuwen, walrussen en pelsrobben. Ze leefden tijdens het Vroeg-Mioceen, 23 miljoen jaar geleden, en ontstonden uit een marterachtige voorouder. Later in het Mioceen (achttien miljoen jaar geleden) ontstond uit de enaliarctiden een andere uitgestorven robbenfamilie, de Desmatophocidae. Nog weer later, ongeveer vijftien miljoen jaar geleden, evolueerde een aantal enaliarctiden tot de Odobenidae of walrussen. Een andere, Midden-Miocene tak (dertien miljoen jaar geleden) leidde naar de Otariidae, de zeeleeuwen en pelsrobben.

Enantiornithes    
De meeste vogels uit het Krijt behoren tot de onderklasse Enantiornithes. De Enantiornithes of 'omgekeerde vogels' zijn zo genoemd vanwege het feit dat twee botjes in hun voet op omgekeerde manier vergroeid zijn, vergeleken met de Neornithes (recente vogels). Veel van deze vogels hebben nog tanden. Fossielen geven aan dat deze vogels in grootte konden variŽren van een paar centimeter tot een paar meter. Deze vogels waren wijd verspreid gedurende het Krijt en er zijn fossielen van hen gevonden in ArgentiniŽ, Noord-Amerika, Mexico, MongoliŽ, AustraliŽ en Spanje. Een voorbeeld van een vertegenwoordiger van deze groep is Confuciusornis uit MongoliŽ. De oudstbekende vertegenwoordigers komen uit het Vroeg-Krijt en men gaat er vanuit dat ze zijn uigestorven gezamenlijk met hun verre voorouders, de dinosauriŽrs, aangezien de laatst gevonden soort uit het Laat-Krijt stamt. Ze waren verder ontwikkeld dan Archaeopteryx maar minder ontwikkeld in vergelijking tot de Neornithes. Er zijn momenteel meer dan 30 soorten bekend en de meesten daarvan bevinden zich in de groep Euenantiornithes. Er zijn verscheidene goedbewaarde fossielen gevonden waarbij ook de veren duidelijk te zien waren. En recent is een fossiel gevonden van een vertegenwoordiger van de Enantiornithes die zowel veren aan zijn armen als aan zijn benen had en dus vier vleugels bezat. Er zijn ook een aantal eieren gevonden met gefossiliseerde embryo's van deze vogels.

Eogyrinidae    
De familie Eogyrinidae valt onder de Anthracosauria. Het waren grote dieren met lange lichamen die leefden in de rivieren en stromen van het Laat-Carboon. De groep bestaat slechts uit ťťn geslacht: Eogyrinus.

Eosuchia    
Men veronderstelt dat de hagedisachtige Eosuchia de mogelijk voorouders zijn van de later, meer ontwikkelde diapsiden, zoals onze hedendaagse slangen en hagedissen. Ze verschenen voor het eerst in het Laat-Perm en stierven uit in de Midden-Trias. Er worden vier families onderscheiden. De vertegenwoordigers hiervan leefden allemaal op Madagascar en in oostelijk en zuidelijk Afrika.

Equidae    
De equiden of paardachtigen stammen af van kleine, rennende dieren, niet groter dan een hond, die leefden van de bladeren van bomen en struiken uit de Vroege-Eocene bossen. Met de intrede van een droger klimaat in het Mioceen, zo'n twintig miljoen jaar geleden, werden de vochtige bossen geleidelijk verdrongen door meer open land. In verschilllende delen van de wereld, vooral in Noord-Amerika, ontstonden uitgestrekte grasvlakten. Het is dit milieu waaraan de moderne paardachtigen - paarden, zebra's en ezels - zo goed zijn aangepast.

Eriptychiida    
Tot de ontdekking van de Arandaspida, in 1970, waren de Eriptychiida en de Astraspida de enige bekende vertebraten uit het Ordovicium. De Eriptychiida vormen een groep van bepantsterde, kaakloze vertebraten, die gedurende het Midden-Ordovicium (zo'n 450 miljoen jaar geleden) in Noord-Amerika leefden. De groep wordt vertegenwoordigd door slechts ťťn soort Eriptychius, dat twee geslachten kent E. americanus en E. orvigi. De soort is alleen bekend van een paar schub- en pantserfragmenten. Een van de fragmenten laat een gedeeltelijk uitstekende snuit met sporen van een verkalkt inwendig skelet zien. Een stel kieuwplaten met een inkeping voor de kieuwopening wijzen erop dat het gehele dier veel weg heeft van de Astraspida.

Eryopidae    
De familie Eryopidae valt onder de orde Labyrinthodontia. Het is een succesvolle groep halfaquatische dieren die leefden vanaf het Laat-Carboon tot aan het einde van het Perm.

Eudicotyledoneae    
Onder de naam Eudicotyledoneae krijgen de "tweezaadlobbigen" ("eudicots") een nieuwe betekenis. De oude betekenis van "tweezaadlobbigen" heeft betrekking op de groep Dicotyledoneae. De Eudicotyledoneae is een groep die naar voren komt uit een cladistische analyse, dus een fylogenetische analyse. Het is, hoewel (nog) niet officieel, wel een natuurlijke groep en is onder de naam "eudicots" in brede kring geaccepteerd. Een alternatieve naam "tricolpates" refereert aan de structuur van het stuifmeel. Het stuifmeel van deze planten bevat drie of meer poriŽn in de vorm van groeven, zogeheten colpi. De nieuwe groep van de "eudicots" is een deelgroep van de oude Dicotyledoneae, en vormt in feite de meerderheid van de oude groep.

Eukaryota    
Onder de Eukaryota bevinden zich de organismen waar de meeste mensen wel bekend mee zijn: dieren, planten, schimmels en eencelligen. En omvat ook de enorme meerderheid waar paleontologen mee werken. Hoewel dit domein een enorme diversiteit kent, vertonen alle organismen in dit domein een gemeenschappelijke biochemie, moleculaire bouw en cellulaire organisatie.

Euryapsida    
Gedurende het MesozoÔcum keerden verschillende groepen reptielen terug naar de zee en pasten zich aan het zeeleven aan, de Euryapsida of mariene reptielen. De ichthyosauriŽrs of vishagedissen en de langnekkige plesiosauriŽrs waren de succesvolste groepen. Ze heersten in de zeeŽn van de wereld voor meer dan honderd miljoen jaar. De verwantschap met andere reptielgroepen en tussen deze groepen onderling is nog steeds onduidelijk. De groep Euryapsida is daarom ook wat onzeker. Ze hebben ťťn gemeenschappelijk kenmerk - de slaapvensters achter de ogen net onder de jukbeenderen. Er worden vier typen mariene reptielen onderscheiden. Elke groep vertoont weer andere aanpassingen aan het leven in het water. De minst gespecialiseerde dieren waren de placodonten uit de Trias. De nothosauriŽrs, eveneens uit de Trias waren al beter aan het waterleven aangepast. De plesiosauriŽrs heersten in de open zeeŽn van de Jura en het Krijt. De ichthyosauriŽrs deelden de Jurassische zeeŽn met de plesiosauriŽrs en waren de meest gespecialiseerde groep mariene reptielen.

Eurypterida    
De eurypteriden of 'zeeschorpioenen' verschenen voor het eerst in het Ordovicium en hielden stand tot in het Perm. Ze bereikten in het Siluur enorme afmetingen. Ze hadden de vorm van een schorpioen en sommige hadden scherpe tangen. Het langgerekte lijf was bedekt door een stevig uitwendig skelet, waardoor ze tot de best gepantserde dieren van hun tijd behoorden. Echter, omdat het geleedpotigen waren, moesten ze van tijd tot tijd hun skelet afwerpen om te kunnen groeien. En juist dan waren ze kwetsbaar. De eurypteriden ontwikkelden verschillende leefwijzen. Sommige waren aaseters, andere waren actieve roofdieren. Eurypterus, gevonden in Silurische steenlagen in New York, kon zo'n twee meter lang worden. Eurypteriden behoorden tot de eerste dieren die overschakelden van een zout- naar en zoetwatermilieu. Tot voor kort werden de eurypteriden ingedeeld bij de degenkrabben (Merostomata). Tegenwoordig denkt men echter dat ze meer verwant zijn met de schorpioenen en spinnen en zijn ze ondergebracht in de klasse Arachnida.

Euselachii    
De naam Euselachii betekent zoveel als 'echte haaien' en de groep omvat dan ook zowel de dominante MesozoÔsche haaien als de moderne haaien en roggen (Neoselachii). Ze ontstonden in het Vroeg-Devoon. Het is bijna onmogelijk om over bepaalde kenmerken van de Euselachii te spreken, omdat, over de jaren, vele allerlei soort spul aan dierlijk materiaal is toegerekend aan deze groep van zowel het MesozoÔcum als het late PalaeozoÔcum en sommigen niet eens toebehorend aan de Chondrichthyes.

Eusuchia    
Deze suborde omvat de echte krokodillen met onder meer de 21 levende soorten moderne krokodillen, de zeven alligator- en kaaimansoorten en de gaviaal. De moderne krokodillen en alligators verschenen in het Laat-Krijt, maar hun voorouders waren er zeker al tachtig miljoen jaar eerder in de late Jura. Ze stammen waarschijnlijk af van de half-aquatische Mesosuchia. De Eusuchia waren eertijds veel talrijker en veel wijder verspreid dan tegenwoordig. Ze leefden in de MesozoÔsche meren, moerassen en rivieren en joegen op dinosauriŽrs die zich te dicht langs het water waadgen. Een robuust, zwaar gepantserd lichaam, een grote kop en sterke kaken bezet met grote scheurtanden waren de wapens waarmee een krokodil zelfs grote dinosauriŽrs kon verschalken. Een in het water gesleurde dinosauriŽr werd in een ijzeren greep onder gehouden totdat het dier bezweek. Het 'dubbele' verhemelte zorgde er voor dat de krokodil zijn bek kon openen zonder water in te ademen.

Eutheria    
De jongen van 'placentale zoogdieren' of Eutheria maken, alvorens ze geboren worden, een groot deel van hun ontwikkeling door in een een baarmoeder in het lichaam van de moeder. Ze vormen de grootste groep levende zoogdieren en worden onderverdeeld in 24 orden.

Fabrosauridae    
Tot deze groep behoren de oudste ornithopoden, die dateren uit de vroege Jura, zo'n tweehonderd miljoen jaar geleden. Dit was de bloeiperiode van de fabrosauriŽrs, die toen overal ter wereld voorkwamen. FabrosauriŽrs waren kleine, hagedisachtige dieren, die opgericht liepen op lange, slanke poten. Oppervlakkig leken ze wel wat op de kleine, carnivore, theropode coelurosauriŽrs.

Felidae    
De familie van katachtigen omvat zeer bekende vertegenwoordigers als de leeuw, de tijger, de luipaard, de cheetah en de huiskat. Van alle rovers onder de zoogdieren zijn de katachtigen het meest gespecialiseerd. Toen in het Midden-Tertiair (vijftien miljoen jaar geleden) de graslanden ontstonden, evolueerden de katten en de honden zich tot de jagers van de vlakten. De roofdieren moesten zich bekwamen in het ongezien besluipen van prooi - zoals de katachtigen deden - of zij moesten erg snel kunnen rennen - zoals de honden. Immers de prooidieren konden hun vijanden al op grote afstand zien aankomen. Sommige katachtgen zoals tijgers, ontwikkelden zich tot solitaire jagers, die hun prooien beslopen of vanuit een hinderlaag overvielen. Andere katachtigen zoals de leeuwen, namen een sociale levenswijze aan en beslopen hun prooien in goed samenwerkende groepen. De katachtigen hebben twee methoden ontwikkeld om hun prooien te doden. De bijtende katten, waartoe alle moderne vormen behoren, doden hun prooi door hen met een snelle, krachtige beet met de scherpe hoektanden de nek te breken. De uitgestorven sabeltandkatten doodden hun prooien door hen zware verwondingen toe te brengen en vervolgens te wachten tot zij doodbloedden. Naast de echte sabeltandkatten zijn er herhaaldelijk ander katachtige vormen met sabeltanden ontstaan. Sabeltandkatten worden vaak aangeduid met de verkeerde naam sabeltandtijgers. Deze dieren zijn niet verwant aan de tijgers.